Marc Schuilenburg
Begin september opende het linkse Franse dagblad Liberation met de kop Touche pas a ma nation (‘Kom niet aan mijn land’). In het artikel werd het uitzettingsbeleid van de Franse president Sarkozy aan de kaak gesteld. De afgelopen maanden had de Franse regering duizend Roma terug gestuurd naar hun land van oorsprong. Daar kwam nog eens het bericht overheen dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken binnen drie maanden zo’n driehonderd illegale kampementen ging ontruimen. Met dit voornemen werd Sarkozy ernstig in verlegenheid gebracht. Het ging om een uitwerking van een lezing waarin hij vertelde aan de minister van Binnenlandse Zaken te hebben gevraagd ‘een einde te maken aan de illegale kampementen van de Roma’. Dit waren ‘gebieden van wetteloosheid’ die, aldus Sarkozy, ‘in Frankrijk niet konden worden getolereerd’. Sindsdien houdt de Roma-rel Frankrijk in de ban. Inmiddels heeft de Europese Unie Frankrijk om uitleg gevraagd over het beleid Roma uit te zetten die niet in het bezit zijn van identiteitspapieren. Zo mogen burgers uit andere Europese landen alleen worden uitgewezen als ze een gevaar vormen voor de openbare orde. Maar dat moet op individueel niveau worden bekeken, dus van geval tot geval, en niet zoals bij de Roma, groepsgewijs plaatsvinden.
Het beleid van Sarkozy laat ook de Franse filosofie niet onberoerd. Bekende namen als Jacques Rancière, Etienne Balibar en Luc Boltanski hebben zich inmiddels solidair verklaard met de Roma. En weliswaar is het Tweede manifest voor de filosofie van Alain Badiou geschreven voor de Roma-rel, ook hierin verwijst deze bestsellerfilosoof een paar keer direct en indirect naar Sarkozy en sluit het naadloos aan op zijn eerdere kritiek op het restrictieve beleid van de Franse president. Zo beschuldigde hij in het 160 pagina’s tellende pamflet De quoi Sarkozy est-il le nom? (2007) de Franse overheid ervan een politiek van angst te voeren en een louter repressieve aanpak te hanteren tegen moslims, immigranten en jongeren in de achterstandswijken van de grote steden. Terugkerend thema van Badiou is dat de Franse regering een onderscheid maakt tussen ‘echte burgers’ en ‘niet echte burgers’. Met dat onderscheid, zo stelt Badiou, wordt er verraad gepleegd aan de Franse Revolutie en de eis voor vrijheid, gelijkheid en broederschap. Zo gaat het huidige beleid van de Franse overheid in op het axioma dat er geen enkel criterium (sociaal, biologisch, religieus, etnisch) mag worden geformuleerd op grond waarvan mensen worden gegroepeerd en uitgesloten van de samenleving.
Deze stellingname, zo wordt duidelijk in het Tweede manifest, staat nog steeds centraal in zijn denken. In tal van verschillende kwesties die Badiou hierin aan de orde stelt, blijft hij benadrukken dat vanuit het evenement een waarheid zich ontvouwt waaraan je trouw moet blijven. Zo toonde de Franse Revolutie met haar eis van gelijkheid voor de wet de juridische ongelijkheid aan tussen de verschillende standen in het Ancien Régime. En het is volgens Badiou, zo schrijft hij in het Tweede manifest, de taak van de filosofie ‘de waarheden van zijn tijd op te sporen, te presenteren en met elkaar te verbinden.’ Het voert te ver om hier uitgebreid in te gaan op de betekenis van complexe begrippen als ‘evenement’ en ‘waarheid’. Belangrijk is dat Badiou in het Tweede manifest de vraag aan de orde stelt hoe waarheden kunnen verschijnen en zich daarbij onderscheiden van de heersende opinies en meningen in de samenleving. Deze vraag borduurt voort op de thematiek uit zijn hoofdwerk L'Être et l'événement (1988) en Manifeste pour la philosophie (1989), dat de redenering van zijn hoofdwerk in verkorte vorm weergeeft. In beide boeken werkt hij een mathematische ontologie uit en onderscheidt daarbij vier domeinen (wetenschap, kunst, liefde en politiek) waarbinnen waarheden zich voltrekken.
Allereerst keert hij zich in het Tweede manifest fel tegen de stelling dat je ‘geen principes moet poneren behalve het principe dat er geen principes zijn’. Dat laatste leidt volgens Badiou tot de situatie dat de filosofie niet meer in staat is een antwoord te geven op de vraag: ‘Hoe te leven?’ En die vraag is relevant omdat, zo zou Badiou zeggen, het beleid van Sarkozy gekenmerkt wordt door een volstrekte vijandigheid tegenover de waarheid van de Franse Revolutie. Bij dit alles moet worden opgemerkt dat voor Badiou de vraag naar de waarheid altijd in samenhang moet worden gezien met de gebeurtenis van een evenement. ‘Waarheid’, zo schrijft Badiou in het Tweede manifest, ‘kan alleen uit een evenement voortkomen.’ Belangrijk is dat de betekenis van een evenement, zoals de Franse Revolutie, niet kan worden herleid tot de situatie waarin het plaatsvindt. Weliswaar gebeurt het evenement in de situatie, maar de situatie en de manier waarop je daarin gewoon bent te denken, handelen en spreken, bieden geen verklaring voor wat plotseling plaatsvindt. Om het even simpel, veel te simpel samen te vatten, het evenement verschijnt in een situatie waarbinnen het zich op geen enkele manier laat inpassen en markeert daarmee een breuk tussen een oude en een nieuwe situatie.
Om dit probleem van ‘verschijnen’ te verklaren, maakt Badiou in het Tweede manifest een onderscheid tussen twee werelden, die van de ontologie (zijn) en de logica (verschijnen). In het geval van de eerste wereld beroept Badiou zich op de ontologische betekenis van de wiskunde, de denkwetenschap die zich volledig van de empirie heeft onttrokken, en in het bijzonder op het werk van het duo Zermelo-Fraenkel en het wiskundig formalisme van de verzamelingenleer van Cantor. Ontologie gaat dan om de theorie van een inconsistente veelvoud, dat is: een veelvoud die geen ander predicaat heeft dan de veelvoud zelf. Met betrekking tot de logische voorwaarden van het verschijnen borduurt hij voort op de hoofdstukken uit Logiques des mondes (2006), de opvolger van L'Être et l'événement. Tegen die achtergrond beschrijft hij in vrij abstracte en technische termen het materiële proces waardoor iets kan verschijnen, bestaan en zich ontwikkelen in, wat hij noemt, ‘een gedetermineerde wereld’. Interessant is het onderscheid dat Badiou daarbij maakt hoe je te verhouden tot de waarheid van een evenement. Allereerst is er de actieve trouw aan het evenement. Door iedere concrete situatie te onderzoeken in relatie tot het evenement, blijf je daartoe behoren en blijft waarheid een universele aanspraak maken. Daarnaast is er het onverschillige of reactieve subject. Deze persoon doet alsof het evenement niet heeft plaatsgevonden en dat de dingen, zo zegt Badiou, ‘in essentie gelijk zijn gebleven’. Tot het reactieve subject rekent Badiou ook de parlementaire democratie die met haar hervormingen vast blijft houden aan een vroegere situatie. Tot slot spreekt Badiou van een vijandig subject. Hij herkent hierin het obscurantisme, de neiging om alles te verafschuwen ‘wat modern is en van de traditie verschilt’, en verbindt deze positie met het fascisme van de eerste helft van de twintigste eeuw.
Het denken van Badiou biedt een concrete politiek of, in zijn termen, ‘een integrerende doctrine van het doen’. Voor een belangrijk deel schuilt daarin ook zijn grootste aantrekkingskracht en heeft zijn stem gewicht in het publieke debat. Zo biedt het axioma van gelijkheid aanleiding tot concrete acties en campagnes voor onderwijs, goede huisvesting en gelijke rechten voor de Roma. Onomwonden spreekt hij zich daarbij uit voor de eerste variant van subjectivering (‘een trouw subject’) en benadrukt dat er eeuwige waarheden zijn in het domein van de politiek (als ook in de kunst, wetenschap en liefde). De zwakte van zijn visie bestaat er in dat het weinig tot geen rekenschap aflegt van de vraag hoe je actief kunt deelnemen aan het ontstaan van een evenement. Het komt erop neer dat je moet blijven wachten totdat het evenement zich voortdoet. Daarnaast veronderstelt Badiou in het Tweede manifest teveel als bekend bij de lezer. Badiou gaat ervan uit dat je zijn hoofdwerken hebt gelezen en weet wat termen betekenen als ‘multipliciteit’, ‘primordiale propositie’ en ‘evenement’. Voor menig lezer zullen de eerste zes hoofdstukken dan ook moeilijk te volgen zijn. Wie kennis wil maken met het werk van Badiou, raad ik daarom aan eerst zijn eerste manifest of het essay De ethiek (2005) ter hand te nemen.
Alain Badiou - Tweede manifest voor de filosofie.
Ten Have: Kampen, 2010