Alex de Jong en Marc Schuilenburg
Nieuwe ingrediënten bepalen de inrichting van de steden. Het laatste fusiongerecht houdt een combinatie van ‘veilig, duurzaam en gezond’ in. Vooral in de binnenruimtes van grootschalige semi-publieke gebieden zien we deze drie elementen terug. Een fraai voorbeeld is het medische complex in de Amerikaanse staat Texas. Het Texas Medical Centre ligt in het centrum van Houston, naast het museumdistrict, de universiteit en twee grote parken. In deze medische stad zijn onder meer 42 (onderzoeks)instituten, dertien ziekenhuizen, een hotel, kantoren en twee medische scholen gevestigd. Achter de bonte verzameling van deze verschillende instituten gaat een opvallende ontwikkeling schuil. We willen die tendens karakteriseren aan de hand van de term ‘container’.
De container als transporteenheid werd in de eerste helft van de twintigste eeuw uitgevonden door Malcolm Purcell McLean. Vijfentwintig jaar later werd het eerste containerschip gebouwd, de Clifford J. Rogers. Deze manier van vervoeren leidde een revolutionaire verandering in van de traditionele stukgoed-methode van laden en lossen. Niet alleen konden met de gestandaardiseerde metalen containers meer goederen worden getransporteerd, ook bleek het eenvoudiger de goederen te laden en lossen. Het model van de container blijkt echter onvermoede kanten te hebben. Om de woningnood onder studenten te verminderen, worden zeecontainers omgebouwd tot tijdelijke woningen. In afwachting van hun uitzetting worden illegalen geplaatst op containerboten in de Rotterdamse haven.
Maar belangrijker dan deze opvallende voorbeelden is dat het model van de container een strategie in zich herbergt om uiteenlopende functies bijeen te houden of in te sluiten. Dat is ook wat de medische stad in Houston doet. Om de werking van dit soort grootschalige complexen te beschrijven, spreken we van een Urban Container. Container in de samenstelling Urban Container is van het Latijnse woord continere afgeleid. Continere is een samenvoeging van de woorden com (samen) en tenere (houden). Welke soorten van containers kunnen we onderscheiden? Welke materialiteiten kunnen we in deze containers onderkennen? Aan de hand van beide vragen gaan we in op drie typologieën van de Urban Container: de company town, de compound en de E-City.(1)
Een eerste maatschappelijke ontwikkeling waaraan de opkomst van de Urban Container kan worden gerelateerd, is die waarbij de belangrijkste maatschappelijke instituties van de moderniteit – kantoren, scholen, gevangenissen, ziekenhuizen, winkelcentra – niet meer hun eigen afgeperkte ruimte hebben, maar opgaan in een grotere fysieke entiteit waarin uiteenlopende functies als winkelen, wonen, werk en onderwijs een plaats krijgen. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw kochten grote industriële ondernemingen werkzaam in de mijnbouw, staal-, auto- en houtindustrie op grote schaal gebieden aan rond hun fabrieken.(2) Op zoek naar passend onderdak voor hun werknemers in de soms afgelegen gebieden waar de grondstoffen werden gewonnen, creëerden deze bedrijven woongebieden in de nabije omgeving van de fabriek om hun arbeiders te huisvesten. Op deze manier werd voorkomen dat rond de bedrijfsterreinen sloppenwijken zouden ontstaan zonder voorzieningen als stromend water en riolering. De sloppenwijken bezorgden de bedrijven immers een slechte naam en leverden ongewenste publiciteit op. Daarnaast droegen de onhygiënische omstandigheden in dergelijke wijken bij tot de slechte gezondheid van de werknemers en daarmee tot een daling van de productiviteit.
Naarmate arbeiders actiever op zoek gingen naar het hoogste loon en de beste werk- en woonomstandigheden voor zichzelf en hun gezin, breidde het aantal faciliteiten in deze grootschalige woonvoorzieningen zich steeds verder uit en ontstonden de zogenaamde company towns met voorzieningen als ziekenhuizen, winkels, tankstations en horecagelegenheden. Goed ingerichte woningen, publieke faciliteiten als parken, scholen, bibliotheken en vergader- en feestzalen, maar ook sociale programma’s voor de families moesten bijdragen tot een gezonder leven van de arbeiders en een stijging van hun arbeidsproductiviteit. Naast deze concrete doelen dienden de company towns er ook voor te zorgen dat de werknemers langer in dienst van het bedrijf wilden blijven.
De architectuur in de company town verschilt niet veel van het belangrijkste gebouw van het complex: de fabriek. De vormgeving van de huizen waarin de gezinnen woonden, de kerk waar werd gebeden en de school waar de kinderen onderwijs kregen, lijkt in veel opzichten op die van de fabriek. Het resultaat was een geprivatiseerd gebied met een bundeling van gelijksoortige complexen waar het leven van de arbeider gestalte kreeg door middel van specifieke bepalingen. Iedere ingezetene van de company town ontleende zijn status aan zijn functie als werknemer en was contractueel gebonden aan de regels en voorschriften, die in deze relatief afgesloten instelling van kracht waren. De bewoners maakten zo deel uit van een sociale orde die gevormd werd door een unieke combinatie van arbeidsroutine, een geïsoleerde locatie en de door het bedrijf voorgeschreven gedragsregels. Deze unieke combinatie zorgde ervoor dat het hele doen en laten van de inwoners van de company towns werd beheerst door hun werkgever, die tegelijkertijd ook huisbaas, vuilnisophaaldienst, politieagent en rechter was.
Een mooi voorbeeld van een dergelijke company town is die van de firma Pullman Palace Car Company, in 1880 gebouwd ten zuiden van Chicago. Onder leiding van George Mortimer Pullman (1831-1897) maakte het bedrijf luxe slaapwagons, die zelfs voorzien waren van zaken als een bibliotheek, kaarttafels en een speciale klantenservice. Internationale bekendheid kreeg Pullman toen hij voor zesduizend werknemers een stad van 16 km² oprichtte: Pullman Town. Om het leven in dit conglomeraat van woningen, een bibliotheek, marktplaatsen en kerken onder controle te kunnen houden, werden de ruim twaalfduizend bewoners onderworpen aan de regels en normen van het bedrijf. Van het verbod op het drinken van alcohol tot de plaats waar de was moest worden ophangen, alles was even minutieus uitgewerkt en uitgeschreven.(3) Tekenend is de wijze waarop een arbeider het leven in de complexe binnenruimte van Pullman Town verwoordde: ‘We worden geboren in een Pullmanhuis, worden gevoed van de Pullmanwinkels, onderwezen in de Pullmanschool, gecatechiseerd in een Pullmankerk en als we dood gaan, gaan we allemaal naar de Pullmanhel.’ Deze samenpersing van het leven maakt dat voorstanders er een perfecte weerspiegeling of reproductie van de samenleving in zien. Buiten de Urban Container houdt de wereld op te bestaan, de wereld ontvouwt zich in de container.
Hoe heeft dit perspectief om de meest complexe en uiteenlopende functies met elkaar te combineren of samen te brengen de overhand gekregen? De hierboven beschreven company town helpt om de ontwikkeling in landen als Saoedi-Arabië en Jordanië te begrijpen. Daar krijgen de verschillende karakteristieken van de Urban Container gestalte in de compound. De compound is een woongemeenschap voor buitenlandse werknemers van internationale ondernemingen, die lokaal zaken doen. Binnen de omheining van de compound gelden andere verhoudingen dan daarbuiten. De maatschappelijke verhoudingen zijn daar omgedraaid. Hoe moeten we deze uitzonderingstoestand opvatten?
De streng islamitische wetgeving in Saoedi-Arabië drukt een enorm stempel op het openbare leven. Bioscopen, theaters, discotheken en cafés waar alcohol wordt geschonken zijn in de Saoedische samenleving verboden. Vrouwen mogen niet plaatsnemen achter het stuur of met onbedekt gezicht over straat gaan. In de westerse compounds gaat het er heel anders aan toe. Daar zijn wel uitgaansgelegenheden te vinden en ook het drinken van alcohol is er toegestaan. Vrouwen mogen er autorijden en zijn niet onderworpen aan dwingende kledingvoorschriften. De stad Dhahran, in het oosten van Saoedi-Arabië, is een van de meest omvangrijke compounds voor buitenlanders en expatriates. De volledig ommuurde stad is het hoofdkwartier van Aramco, de grootste oliemaatschappij ter wereld. In Dhahran wonen naar schatting 11.300 mensen, afkomstig uit de Verenigde Staten, Canada en Groot-Brittannië. De politie, het ziekenhuispersoneel en de brandweer vallen onder verantwoordelijkheid van de oliemaatschappij en hebben eigen regels en geboden. Slechts in noodgevallen grijpt de centrale overheid van Saoedi-Arabië in het leven van Dhahran in.
De muren rond de compound en de bewaakte ingang markeren heel concreet de overgang naar andere regels en voorschriften. Binnen de afscheiding van de compound gehoorzaamt men niet aan de nationale wetten of rechtsregels, maar laat men zich leiden door richtlijnen of specifieke protocollen. Dit regime van protocollen hangt nauw samen met de levenswijze en de cultuur van de gemeenschap in de compound. Wat betekent het gebruik van protocollen? Protocollen zijn geen nieuw verschijnsel. Ze hebben een lange geschiedenis in het leger, de diplomatie en de gezondheidszorg, instituten die diep geworteld zijn in onze samenleving. Binnen die structuren hebben ze tot taak om correct gedrag te bewerkstelligen op basis van een systeem van vaste afspraken. We kunnen ze definiëren als codes die een bepaalde handelwijze dwingend voorschrijven. Protocollen zijn dus niet waardevrij of neutraal. Net als technologie zijn ze nauw verbonden met een sociale controle. Ze produceren een eigen normaliteit omdat ze van de personen die zich in het afgebakende gebied van de Urban Container ophouden, eisen dat deze zich aan de interne regels onderwerpen en allen hetzelfde aangepaste gedrag vertonen.
Op dit moment neemt het aantal protocollen snel toe. In de openbare ruimte van steden worden protocollen van kracht, die voorschrijven waar het handelen en optreden van personen aan moet voldoen. Prachtige voorbeelden treffen we aan in de openbare ruimte van Chicago en Rotterdam. In de openbare ruimte van Chicago is het verboden doelloos rondjes te lopen of te lang rond te hangen bij een publiek gebouw. Camera’s worden gebruikt om deze protocollen te handhaven. De informatiearchitectuur van het netwerk van bewakingscamera’s alarmeert de politie als een persoon te lang voor een overheidsgebouw staat. In Rotterdam zijn andere codes van kracht. In de Rotterdam-code, een samenspel van verschillende regels, is vastgelegd dat op straat, op school, op het werk en thuis verplicht Nederlands moet worden gesproken.
Protocollen nemen pas werkelijk een grote vlucht nu de Urban Container steeds verder doordringt in de samenleving. De typologie van de Arabische compound is daarvoor illustratief. Daar gelden niet de regels van de Saoedi-Arabische wetgeving maar gedetailleerde voorschriften, die een unieke normaliteit of uitzonderingstoestand met zich meebrengen. Die protocollen leiden tot een lokale jurisprudentie. Welk doel de controle die op de inwoners wordt uitgeoefend precies moet dienen, is niet nader gedefinieerd, evenmin als tot hoever die mag gaan. Ze wordt uitgeoefend door precies omschreven interne regels die het leven in de container nauwlettend ‘besturen’. In een omgekeerde beweging wordt de relatie tussen architectuur en leven dan gesloten. Het niet accepteren van een protocol leidt tot uitsluiting van de compound.
Volgen we Michel Foucault in zijn klassieke werk Discipline toezicht en straf, dan heeft de gevangenis veel weg van het ziekenhuis, de fabriek en de school. Maar waarom vertonen de company town en de compound zoveel overeenkomsten met elkaar? De bewering dat een andere maatschappij tot een nieuwe ruimte leidt, kan ook worden omgedraaid: een andere ruimte kan ook een nieuwe maatschappij tot gevolg hebben. Grootschalige Urban Containers tekenen zich af daar waar informatiestromen van de netwerkmaatschappij samenkomen. Dit is het geval op de knoop- of snijpunten van infrastructurele netwerken. Het meest duidelijk is dit zichtbaar in Aziatische steden als Hongkong, Shanghai en Beijing waar megastructuren worden gebouwd op grote infrastructurele knooppunten als metro- en treinstations.
Aan het begin van de jaren negentig schreef de lokale overheid van Hongkong een strategie voor waarin de Housing Authority verplicht werd binnen vijftien jaar 600.000 woningen te bouwen. Om de sterke bevolkingsgroei binnen de beperkte grenzen van haar eigen territorium op te kunnen vangen, ging men op zoek naar een woningbouwmodel dat zowel flexibel als efficiënt is. Net als in de scheepvaart staat de stedelijke container hier voor de standaardisatie en optimalisatie van de beschikbare ruimte. Het economische credo geldt: Small space, less costs. Het resultaat is een woongebouw dat het harmony block wordt genoemd. De eerste woongebouwen bevatten zestien tot achttien woningen per verdieping en zijn gebouwd op basis van een kruisvormige plattegrond. In de torens van 38 verdiepingen zijn de woningen onafhankelijk van hun oriëntatie rond een verticale circulatiekern bijeengebracht. Om het gebrek aan ruimte te compenseren – de gemiddelde oppervlakte per inwoner is in de eerste blokken ongeveer 11 m² – zijn meerdere torens op een podium geplaatst. Als de welvaart stijgt en de vraag naar grotere woningen met meer voorzieningen toeneemt, kunnen de projectontwikkelaars het harmony block aanpassen aan de behoefte van de meer welvarende inwoner van Hongkong. Zo is in de Hongkongse stadsuitbreiding Tin Shui Wai het project Kingswood Villa’s gerealiseerd met 15.880 appartementen in 58 torens. De woonwijk biedt de inwoners een park van 15 hectare waarin een meer is aangelegd. Maatstaf voor de faciliteiten was de kwaliteit van een eersteklas hotel.
In navolging van Kingswood Villa’s wordt het harmony block door steeds meer Chinese projectontwikkelaars gebruikt als het ideale model voor luxe woningbouwprojecten. Met reclameborden die complete gevels beslaan, proberen de ontwikkelaars nieuwe bewoners te verleiden door ze Hawaïaanse stranden, klassieke parken en Griekse architectuur voor ogen te toveren. Koop het appartement en maak deel uit van een exclusieve wereld zonder zorgen, roepen de folders. Dienden de gemeenschappelijk voorzieningen ooit om het gebrek aan ruimte in de torens te compenseren, nu worden de voorzieningen ingezet om een ‘stad in een stad’ te realiseren die relatief onafhankelijk is van zijn ligging en directe omgeving. Hoewel de woningen in het luxe harmony block qua oppervlakte niet groot zijn, zorgen de voorzieningen in het podium onder de torens dat de bewoners hun modelstad niet meer hoeven te verlaten. Buiten heerst de chaos van het stadsverkeer, de verzengende hitte, de criminaliteit en de geluidsoverlast van de dichtbevolkte stad. Binnen staat de inwoners 24 uur per dag iedere denkbare voorziening ter beschikking, zoals babysitters, bedienden, wasservice, krant- en tijdschrift bezorgdienst, clubhuizen, parkeergarages, auto-onderhoud, shuttlebus transport, etc.
Om het macro-interieur van dit meerderwaardigheidscomplex af te schermen van de buitenwereld, beschikken alle bewoners over een pas met een unieke code. De voorspelling van een stad waarin iedereen zijn flat, zijn straat en zijn wijk alleen kan verlaten met behulp van een (‘individuele’) elektronische chipkaart is hier werkelijkheid geworden.(4) Zonder dat er private veiligheidsdiensten nodig zijn, kunnen ongewenste figuren uit de virtuele container worden geweerd. Door gebruik te maken van een op een elektrisch netwerk aangesloten smartcard krijgt de gebruiker toegang tot de verschillende ruimten in het Hongkongse harmony block. Tot welke delen van de container hij toegang heeft, is afhankelijk van zijn lidmaatschap dat naar behoefte kan worden uitgebreid. Het e-network verleent de bewoners echter niet alleen toegang tot de digitale voorzieningen, het informationele netwerk registreert ook hoe de ingezetenen leven om voorzieningen en diensten optimaal op elkaar af te kunnen stemmen. Virtuele slotgrachten beschermen de bewoners daarbij tegen een buitenwereld waar ze niets mee te maken willen hebben. In de veilige en gecontroleerde binnenwerelden wordt de buitenwereld als gevaarlijk gedefinieerd: ‘It’s a dangerous world out there.’ De ‘over the wall crowd’ mag op geen enkele manier binnendringen in de sfeer van de container. De fysieke container raakt zo steeds verder uit zicht en maakt plaats voor een virtuele ruimte die geactualiseerd kan worden door smartcards en unieke protocollen.
Hoewel het moeilijk is om tijd en plaats van de eerste Urban Containers exact aan te geven, is er wel een historische parallel aan te wijzen. De moderne Container vertoont veel overeenkomsten met de middeleeuwse ommuurde vestingstad. Ook hier was er de neiging tot afscherming en de behoefte om ongewenste personen buiten te sluiten. Lange tijd was de ommuurde vestingstad een voorbeeld voor de manier waarop grote gemeenschappen konden worden gehuisvest in een begrensde ruimte, waarbinnen de wereld zich kon ontvouwen. Stad en platteland zijn in het middeleeuwse model dan ook duidelijk te lokaliseren. Het zijn vaak begrensde plekken met eigen specifieke fysieke, sociale en symbolische kenmerken. In de nieuwe geografie is echter geleidelijk een einde gekomen aan de duidelijk gemarkeerde scheidslijn tussen de wilde natuur en de versteende cultuur van de mens: de overgang van het ‘binnen’ van de afgebakende stedelijke cultuur naar het ‘buiten’ van de wilde natuur is verdwenen.
Een belangrijke ontwikkeling die aan het verdwijnen van dit onderscheid tussen stad en platteland ten grondslag ligt, is de toegenomen verstedelijking van onze leefomgeving. Wij zijn stedelijke wezens geworden. Waren er in 1900 elf steden met meer dan een miljoen inwoners, aan het begin van de 21ste eeuw is het aantal steden met meer dan drie miljoen inwoners gestegen tot over de honderd. Zesendertig steden hebben zelfs meer dan acht miljoen inwoners. Binnen twintig jaar zal ruim negentig procent van de wereldbevolking in steden of verstedelijkte gebieden wonen. De strikte tweedeling tussen stad en platteland is verdwenen, duale categorieën als ‘centrum’ tegenover ‘periferie’ en ‘natuur’ tegenover ‘stad’ zijn daardoor achterhaald. Voor een adequate analyse van de ruimtelijke differentiaties in ons huidige landschap kunnen we niet meer het onderscheid tussen het platteland en de stad als belangrijkste referentiepunt nemen. We hebben andere termen nodig om de concentratie van collectieve activiteiten en de herverdeling van grenzen aan te duiden.
Vanwege de hier geschetste ontwikkeling – de moderne stad als uitdrukking van onze maatschappij – willen we de Urban Container niet behandelen als een historisch fenomeen of een stedelijk artefact. Ook al is het idee van een afgesloten binnenwereld, waar functies als wonen, werken en recreatie op een beperkt oppervlak samengaan, in uiteenlopende gedaanten te herkennen – de middeleeuwse ommuurde stad is daarvan slechts één voorbeeld – toch vatten wij de ingekapselde, multifunctionele binnenruimte van de container op als een architectuur die sterk gerelateerd is aan de huidige maatschappijvorm. Onze stelling dat de Urban Container de dominante architectonische typologie is van onze maatschappij, zegt niet alleen iets over de aard van die cultuur, maar houdt ook in dat er een nieuwe verhouding aan het ontstaan is tussen leven en architectuur. De drie typologieën company town, compound en E-City afdoen als moderne of utopische projecten, is daarom oninteressant. Waar het hier om gaat is hoe de ruimterevolutie van de container doorwerkt in onze samenleving. Immers, willen we adequaat praten over de transformaties van de stedelijke ruimte, dan moeten zijn drie materialiteiten worden meegenomen: de samenpersing van het leven, de werking van protocollen en een virtuele structuur.
(1) Zie voor een verdere uitwerking van de Urban Container het hoofdstuk ‘De architectuur van de Urban Container’ in: Alex de Jong & Marc Schuilenburg, Mediapolis. Populaire cultuur en de stad, Rotterdam: Uitgeverij 010, 2006.
(2) Hoewel de meeste bedrijfssteden werden gesticht tussen 1830 en 1930, raakte de term company town pas in gebruik aan het einde van de negentiende eeuw om de mijnbouwkampen in de Verenigde Staten aan te duiden. De company town verschilde van de industrial city en de corporation town omdat hier alles in handen was van één bedrijf. Zie: J.S. Garner (ed.), The Company Town, Architecture and Society in the Early Industrial Age, Oxford: Oxford University Press 1992.
(3) In de achttiende eeuw zet ook in Europa de inkapseling van openbare gebieden door ondernemingen door. Het treffendste voorbeeld is de nederzetting rond de zoutraffinaderijen Chaux van de architect Claude-Nicolas Ledoux (1736-1806). In het Franse Arc-et-Senans ontwierp Ledoux een architecturaal ensemble in de vorm van een halve cirkel met een diameter van 370 meter. Binnen dit gebouwencomplex zijn zowel de technische installaties als de woningen van de werknemers gevestigd. Omdat het ontwerp niet tot doel had een scheiding tussen de verschillende facetten van het leven aan te brengen, beschouwden vroeg modernistische architecten als Le Corbusier de zoutziederij als de uitdrukking van een ideale samenleving. De productie bleef niet onzichtbaar, maar was een geïntegreerd onderdeel van de company town. De capsulering van de verschillende maatschappelijke functies blijkt uit de opmerking van Ledoux dat hij een complex tot stand wilde brengen ‘dat alle soorten gebouwen bijeen brengt die worden gebruikt in de sociale orde.’
(4) G. Deleuze, Pourparlers. 1972 - 1990 (Negotiations. 1972 - 1990), Paris: Minuit 1990, pp. 240-247.