The Assassination of Gabriel Tarde by the Coward Emile Durkheim*

 

Gepubliceerd in: Panopticon, jrg. 31, nr. 5, 2010, pp. 82-89.

Marc Schuilenburg en Patrick Van Calster

 

Inleiding

Het behoort voor veel wetenschappers tot het gangbare instrumentarium om de huidige samenleving te duiden als een ‘risicosamenleving’. Hoewel Beck voornamelijk spreekt over risico’s die het gevolg zijn van technologische en industriële ontwikkelingen, hebben criminologen zijn these aangegrepen om ook het veiligheidsvraagstuk onder de noemer te brengen van de risicomaatschappij. Wie vandaag de dag spreekt over gevaar of onveiligheid, heeft het over de situatie waarin iets als een risico (en daarmee als onveilig) wordt gekwalificeerd. Aldus worden de begrippen ‘risico’ en ‘onveiligheid’ synoniem van elkaar. De consequentie is dat de term ‘risico’ overal aan kan worden toegeschreven. Ze verliest met andere woorden haar specifieke betekenis. Eén van de gevolgen is dat deze generalisatie ruimte creëert om allerlei nieuwe maatregelen te legitimeren die mogelijke oorzaken van onveilige omstandigheden moeten wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan videobewaking, het preventief fouilleren, samenscholingsverboden en collectieve winkelontzeggingen.
Wat we hiervan ook mogen denken, het belangrijkste bezwaar van deze benadering is dat de suggestie wordt gewekt dat de sociale werkelijkheid een eenduidig en uniform proces is dat optimaal kan worden ingericht door maatregelen te treffen die zich tot alle uithoeken van de samenleving uitstrekken en op alle niveaus op dezelfde wijze werken. Niet alleen wordt daarmee over het hoofd gezien dat de sociale werkelijkheid een uiterst complex en dynamisch proces is, maar ook dat wat we als ‘risicovol’ beschouwen een eigen inhoud en uitdrukking krijgt in allerlei assemblages.(1)
In deze bijdrage stellen we de veranderlijkheid van de sociale werkelijkheid centraal en haken we aan bij de oproep van Beck ‘to reconstruct social definitions of risk and risk management in different cultural framings; that we find out about the (negative) power of risk conflicts and definition where people who do not want to communicate with each other are forces together into ‘ a community’ of shared (global) risks; and thus that we clarify the questions of organized irresponsibility and relations of definition in different cultural-political settings.’(2) Ons inziens heeft het werk van de Franse socioloog Gabriel Tarde (1843-1904) daarbij veel te bieden. Tarde was een tijdgenoot van Emile Durkheim (1858-1917) en een van de grondleggers van de Franse sociologie. Terwijl Durkheim, en daarna de meerderheid van de sociale wetenschappers, waaronder criminologen, zich richtte op grote collectieve structuren (‘de cultuur’, ‘de organisatie’, ‘de maatschappij’), vroeg Tarde aandacht voor kleine veranderingen en details in de sociale werkelijkheid. Die veranderingen beschreef hij in Les lois de l'imitation (1890), La philosophie pénale (1890) en Les lois sociales (1898) aan de hand van interacties die hij duidde in termen van ‘imitatie’ en ‘uitvinding’. In deze bijdrage willen wij het belang onderzoeken van het werk van Tarde voor criminologisch onderzoek. Dit doen we door zijn werk te positioneren in de geschiedenis van de sociale wetenschap. Meer in het bijzonder laten we zien hoe Tarde’s denken zich verhoudt tot wat Durkheim verstond onder een sociaal feit. Vervolgens gaan we in op zijn concepten ‘imitatie’ en ‘uitvinding’ en zetten we uiteen hoe deze kunnen worden begrepen als reeksen van interacties die zich voortdurend blijven vertakken en vermenigvuldigen.

 

Durkheim: sociaal feit

Hoewel de Franse filosoof Gilles Deleuze in Difference and Repetition (1968) in lovende termen spreekt over de inzichten van Tarde en met Félix Guattari in A Thousand Plateaus (1980) letterlijk ‘een hommage’ brengt aan diens werk, is de aandacht voor Tarde lang behoorlijk marginaal gebleven. Sinds enkele jaren komt hierin voorzichtig verandering, mede door de inspanningen van ?ric Alliez om Tarde’s gehele oeuvre opnieuw te laten uitgeven en Bruno Latours bekentenis dat niemand anders dan Tarde de basis heeft gelegd voor zijn Actor Network Theory. Los van het belang van Tarde’s inzichten voor Deleuzes differentiefilosofie en de theoretische sociologie van Latour, was hij zelf actief op veel gebieden. Niet alleen was hij jurist en criminoloog, ook hield hij zich intensief bezig met statistiek en sociale psychologie. Hij was onderzoeksrechter in zijn geboortestad Sarlat, hoofd van het bureau voor statistiek van het ministerie van Justitie in Parijs, en professor in de moderne filosofie aan het Collège de France. Daarnaast vond hij tijd om zowel essays als de roman Underground Man (1905) te schrijven, een sciencefiction verhaal over een met ijs bedekte aarde waar mensen onder de grond leven en zich bezig houden met kunst en muziek.
Waarom is het werk van Tarde in al die jaren zo onderbelicht gebleven? Voor een belangrijk deel is dit terug te voeren op de discussie met Emile Durkheim, die twee jaar na Tarde’s benoeming in 1900 werd aangesteld aan de Sorbonne om achtereenvolgens in 1906 hoogleraar in de pedagogiek te worden en in 1913 de eerste ‘chair de sociologie de la Sorbonne’ te bekleden. De discussie met Durkheim draaide om de kwestie van continuïteit en verandering, om de relatie tussen het geheel en delen in de sociale werkelijkheid. Wat betekent dit? Volgens Durkheim kenmerkt een sociaal feit, oftewel de omschrijving wat het sociale nu precies bevat of afbakent, zich doordat het van buitenaf dwang uitoefent op het individuele gedrag en van invloed is op persoonlijke houdingen of behoeftes. Een voorbeeld van zo’n sociaal feit is de taal waarin we praten en communiceren. De taal die we vanaf onze geboorte leren spreken legt zich immers op een onontkoombare wijze aan ons op. Als het ware bezit het een gebiedende en onzichtbare kracht waaraan niemand zich kan onttrekken.
Niet alleen kenmerkt een sociaal feit zich volgens Durkheim doordat het van buitenaf vorm geeft aan ons doen en zeggen, het heeft bovendien een eigensoortige werkelijkheid die niet kan worden herleid tot de eigenschappen van losse individuen. Het is met andere woorden een zelfstandige entiteit die het individu bepaalde ziens- en handelswijzen oplegt waar het niet uit zichzelf toe zou zijn gekomen. Zo heeft Ferdinand de Saussure in zijn tekentheorie laten zien dat achter het individuele gebruik van de taal – de gesproken dimensie (parole) – een heel systeem van regels (langue) schuil gaat dat onafhankelijk functioneert van het gebruik dat een willekeurig individu ervan maakt. Weliswaar is niemand verplicht de regels van de taal te accepteren of erin mee te gaan, het niet hanteren van die regels maakt een natuurlijke en normale omgang met andere personen zo goed als onmogelijk. Vanuit dat perspectief, zo vat Laermans het denken van Durkheim samen, is een sociaal feit niet alleen dwingend en bovenindividueel, maar kan het ook als objectief (in de zin van ‘dingmatig’) worden begrepen.(3)
De kenmerken van een sociaal feit keren het duidelijkst terug in Durkheims these van een conscience collective, de grootste gemene deler van de inhoud van het bewustzijn van individuen in een samenleving. Dit gemeenschappelijk bewustzijn manifesteert zich als een aparte grootheid en vormt de basis voor samenhang in een samenlevingsverband. Niet alleen brengt het kwalitatief andere gevoelens met zich mee dan individuele voorstellingen, het heeft ook specifieke kenmerken.(4)
Betrekken we die kenmerken op de samenleving zelf, dan kan aan deze een eigen werkelijkheid worden toegekend, een filosofisch uitgangspunt dat ‘realisme’ wordt genoemd.(5) Hierin beschikt de samenleving over een eigen natuur. De eigenstandigheid van de samenleving als geheel zorgt voor het ontstaan van overtuigingen, normen, ideeën en voorstellingen die door de leden van diezelfde samenleving worden gedeeld. Toch mogen we hieruit niet afleiden dat een samenleving een volledig eigen en eeuwig bestaan leidt, alsof het volkomen los zou functioneren van de individuen die er deel van uitmaken. Durkheim keert zich tegen een transcendente opvatting van de samenleving waarin deze een realiteit heeft die apart werkt van de haar samenstellende individuen. Voor Durkheim zorgt de samenleving ook zelf dat door associaties van individuen specifieke manieren van doen en zeggen ontstaan die tezamen een collectieve eenheid vormen. Zo analyseerde hij in De la divison du travail social (1893) de overgang van een morele solidariteit in verschillende typen van samenleving. Terwijl de primitieve samenleving beschikte over een mechanische solidariteit die gebaseerd was op gelijkheid, kenmerkte de moderne samenleving zich door een organische solidariteit die berustte op verschillen en ongelijkheid. Factoren als een nieuwe arbeidsverdeling en de sterke groei van de bevolking waardoor de onderlinge interacties alleen maar toenamen, waren hiervoor verantwoordelijk.
Om de discussie tussen Durkheim en Tarde goed te begrijpen, is het belangrijk in te zien dat beiden de interacties tussen personen in een samenleving als sociaal beschouwen. Welbeschouwd, zo zou Durkheim zeggen, liggen ze mee ten grondslag aan veranderingen die zich voltrekken op het niveau van de morele solidariteit in een bepaald type van samenleving. Maar, zo benadrukt Durkheim, ze hangen vooral af van de psychologische kenmerken van een individu en de afzonderlijke omstandigheden waarin ze plaats vinden. In dat opzicht zijn interacties tussen personen geen fenomenen die voor Durkheim eigen zijn aan de wetenschap van de sociologie. Durkheim spreekt van ‘socio-psychische fenomenen’, ze interesseren sociologen zonder dat ze het onmiddellijke onderwerp van studie voor de sociologie zijn. Psychologische inzichten met betrekking tot de associaties van individuen kunnen wel van belang zijn om de verandering van solidariteit in een samenleving te begrijpen, het is echter aan de sociologie om vervolgens die solidariteit als zelfstandig sociaal feit te bestuderen. Dit kan aan de hand van wetenschappelijke methodes en modellen, zo laat Durkheim zien. Zonder in te gaan op de individuele omstandigheden die een rol hebben gespeeld, kan het jaarlijks gemiddelde worden bestudeerd van huwelijken, van geboorten, van vrijwillige sterfgevallen en de mate van criminaliteit dat een uitdrukking is van het gemeenschappelijk bewustzijn of moraliteit van een samenleving.

 

Tarde: interacties

Terwijl Durkheim meende dat sociale feiten als aparte entiteiten moeten worden geanalyseerd (‘als iets op zichzelf’), argumenteerde Tarde dat de sociologie zich juist diende te richten op de interacties tussen individuen die zorgen voor een mate van sociale structuur in een samenleving. Beide posities hoeven niet noodzakelijkerwijs lijnrecht tegenover elkaar te staan. Wel richten ze zich op een ander onderzoeksveld. In tegenstelling tot de structuralistische opvatting van Durkheim, die gericht is op de bestudering van gedeelde overtuigingen die door een groep of collectiviteit als geheel worden opgeroepen, zijn voor Tarde de interacties tussen individuen zelf een sociaal feit die onderwerp van wetenschappelijk onderzoek moeten zijn. We moeten dit zo begrijpen dat voor Tarde de ‘metafysische betekenis’ die Durkheim toekent aan een sociaal feit geen absolute geldigheid of waarde heeft. Tarde’s interesse ligt, om het zo te zeggen, in de dynamiek van de sociale werkelijkheid. Daarmee vraagt hij aandacht voor een wezenlijk aspect dat in het denken van Durkheim onbeantwoord blijft, namelijk: ‘Hoe kunnen we één geheel vormen met zoveel verschillende individuen?’ Of anders gezegd: ‘Hoe kan de gelijkenis worden verklaard van duizenden verschillende mensen?’(6)
In plaats van Durkheims concept van sociale feiten aan te vallen of de resultaten van zijn wetenschappelijke analyses over zelfmoord en criminaliteit ter discussie te stellen, doet Tarde in zijn werk iets anders. Enerzijds stelt hij de vraag naar de starheid van Durkheims aanname van een collectief geheel dat schuil gaat achter de gedeelde solidariteit, moraliteit en cultuur van een samenleving. Anderzijds vraagt hij hoe een sociaal feit kan bestaan buiten de individuen zelf. Durkheims stelling van een sociaal feit berust immers op de nooit onderzochte aanname dat er zo’n ‘gedeelde overtuiging’ bestaat. Daarmee ontkent Tarde niet dat er tussen individuen solidariteit of moraliteit kan bestaan, maar verlegt hij de aandacht naar de wijze waarop tussen individuen gelijkenissen ontstaan die een mate van solidariteit of moraliteit met zich meebrengen. Durkheim had simpelweg verondersteld dat gelijkenissen zich vermenigvuldigen en dat deze gelijkenissen een eigen werkelijkheid vormen die relatief los staat van het individuele niveau. Moreel handelen betekent dan niets anders dat iemand zich onderwerpt aan de kracht van het collectief dat regels, normen en codes aan individuen van buitenaf oplegt. Maar die aanname, zo stelt Tarde, is een ‘ontologische illusie’ die veel weg heeft van een herwaardering van Plato’s Ideeënleer.(7) Gelijk aan Durkheims sociale feiten staan de Ideeën bij Plato namelijk voor eeuwige, onveranderlijke en alleen geestelijk te ervaren oerbeelden van de dingen. De Ideeën zijn zelf niet aan stof, tijd en plaats gebonden, maar bevinden zich in een hogere wereld die volgens Plato voor eens en voor altijd vastligt en een autonoom, van het denken onafhankelijk bestaan leidt.
Tarde ziet echter meer in een ‘pure sociologie’ of een ‘algemene sociologie’(8) die het algemene karakter van sociale interacties kan duiden en toepasbaar is op ieder sociaal feit. In dat opzicht spreekt hij van ‘algemene wetten’(9) wanneer hij reeksen van interacties behandelt tussen individuen die zich niet aan één moment laten binden, maar zich ononderbroken voortzetten in nieuwe reeksen. Hoewel de termen ‘algemene wetten’ en ‘algemene sociologie’ anders lijken te suggereren, kan de methode van Tarde niet als structuralistisch worden gedefinieerd. Komt met Durkheim de aandacht van de sociale wetenschappen te liggen op niet direct waarneembare structuren die ten grondslag liggen aan de relaties in de sociale werkelijkheid, met Tarde verschuift de aandacht juist naar de relaties tussen personen in de sociale werkelijkheid zelf. Immers, voordat we aan de vraag toekomen of er sprake is van een onderliggende structuur en, zo ja, hoe deze doorwerkt in het dagelijkse handelen, moet worden onderzocht hoe in het doen en zeggen van al die verschillende personen die deel uitmaken van de sociale werkelijkheid gelijkenis kan ontstaan. Tarde vindt die gelijkenis in de notie van herhaling. Elke gelijkenis is te wijten aan herhaling, schrijft hij in The Laws of Imitation.(10) Evenwel betekent dit niet dat er zich een lineair proces ontvouwt waarin personen elkaars gedrag onafgebroken en monomaan blijven herhalen. Opnieuw in The Laws of Imitation schrijft Tarde dat herhaling bestaat bij de gratie van variatie. En vooraf aan de vorige passage stelt hij: ‘herhalingen en gelijkenissen (…) zijn de noodzakelijke thema’s van de verschillen en variaties die bestaan in alle fenomenen.’(11)
Goed beschouwd zoekt Tarde in zijn sociologie een middenweg tussen een absoluut relativisme en een absoluut absolutisme. In deze benadering valt een samenleving samen met een ‘group of beings who are apt to possession of common traits which are ancient copies of the same model’.(12) In The Laws of Imitation onderzoekt hij die gelijkenissen aan de hand van reeksen van imitatie die hij verbindt met somnambulisme en hypnose, veel bediscussieerde concepten aan het eind van de 19e eeuw. Geheel in lijn met zijn denken is de samenleving dan ‘imitatie en imitatie is een vorm van somnambulisme’.(13) In zijn latere werk verdwijnt de aandacht voor somnambulisme en hypnose meer naar de achtergrond en richt hij zich op een meer abstracte en horizontale benadering van interacties tussen personen die hij duidt in termen van ‘herhaling, oppositie en aanpassing’.(14) Vanuit een dergelijke conditionele formulering van het handelen rekt Tarde de notie van een samenleving steeds verder op. In Monadologie et sociologie schrijft hij dat ‘alles een samenleving is en dat alle dingen samenlevingen zijn,’(15) een zienswijze die Latour duidt als ‘a flat society argument’.(16) In het kader van deze bijdrage is het echter belangrijker dat vanuit Tarde’s perspectief van interacties het durkheimiaanse vraagstuk van structuur en orde een secundair vraagstuk is. Primair is er verandering, beweging en verschil. Orde en stabiliteit komen altijd achteraf. Ze vormen zich vanuit de dynamiek van de sociale werkelijkheid, als het tijdelijke stollingspunt van steeds vertakkende reeksen van interacties, die geen ‘dingen’ weergeven maar gebeurtenissen die nooit aan hun laatste betekenis toekomen

 

Imitaties en …

Voor een antwoord op de vraag hoe interacties tussen personen zich voltrekken en in het bijzonder op welke wijze variatie optreedt in het dagelijks doen en zeggen, maakt Tarde een systematisch onderscheid tussen processen van ‘imitatie’ en ‘uitvinding’, twee reeksen van interactie die ieder een realiteit op zichzelf vormen, maar elkaar ook beïnvloeden. Tarde definieert imitatie als de beweging waardoor iets wordt herhaald en zich verspreidt.(17) In het voorwoord van de tweede druk van The Laws of Imitation spreekt hij van ‘the action at a distance of one mind upon another’ en van ‘every inter-psychical photography, so to speak, willed or not willed, passive or active.’(18) Concreet houdt dit in dat personen elkaar bewust of onbewust imiteren, bijvoorbeeld door een bepaalde manier van handelen over te nemen, variërend van een manier van werken (procédé) tot een wijze van kleden (mode) of muzikale voorkeur (stijl). Maar imitatie kan ook in kleine bewegingen zitten, zoals minuscule aanpassingen van het gedrag wanneer jongeren bepaalde uitdrukkingen van elkaar overnemen of dezelfde lichaamsbewegingen maken. Zo laat De Jong in Kapot moeilijk zien hoe Marokkaanse jongeren handelen overeenkomstig gedeelde straatwaarden (loyaliteit, moed, succes) en de daaraan gekoppelde normen over welk gedrag onder bepaalde omstandigheden goed of slecht is.(19) Meer in het bijzonder toont De Jong dat verklaringen als ‘typisch Marokkaans’ tekort schieten om delinquent groepsgedrag onder Marokkaanse jongeren te verklaren. Argumenten die wijzen op een Marokkaanse (krijgs)cultuur met mannelijke deugden als moed, eer en respect tonen niet aan waarom juist Marokkaanse jongeren vaak groepen vormen die door de buitenwereld als confronterend en bedreigend worden gezien. Beter is dit te verklaren, zo schrijft De Jong, door te kijken naar de dynamiek van groepsprocessen en de bijzondere omstandigheden waarin jongeren in bepaalde buurten opgroeien. Treffende gelijkenissen komen dan tot stand door het kopiëren van elkaars gedrag en het delen van betekenis aan bepaalde handelingen.
In dit verband is het van belang te wijzen op het vertakkende karakter van reeksen van imitatie. Dit betekent dat in de verspreiding allerlei nieuwe reeksen zich vormen die elkaar kunnen kruisen waardoor nieuwe relaties ontstaan die weer andere reeksen van imitaties voortbrengen. Door nieuwe reeksen aan de bestaande toe te voegen blijft de mogelijkheid tot creatie open en een sociaal-cultureel veld in beweging, en dus in leven. In dat opzicht moet ook criminaliteit worden benaderd, zo schrijft Tarde in Penal Philosophy, als ‘een fenomeen van imiterende verbreiding’.(20) Vormen van criminaliteit verspreiden zich ‘als ieder ander industrieel product, als ieder ander goed of slecht idee.’(21) Tarde beweert daarmee niet dat criminaliteit als een afzonderlijke entiteit kan worden bestudeerd, apart van andere ontwikkelingen in de samenleving. De vraag is, zo stelt hij, ‘whether the many other phenomena of imitative propagation, which taken all together are called civilization (…) foster or impede the progress of the propagation of crime. Or rather, the aim is to discover, if that were possible, which among these various spreadings of example which are called instruction, religion, politics, commerce, industry, are the ones that foster, and which ones that impede, the expansion of crime.’(22)
Om het proces van imitatie te verduidelijken, maakt Tarde een onderscheid tussen twee wetten. Iets wordt geïmiteerd, en dan spreekt Tarde van een ‘logische wet’, wanneer dat gebeurt vanuit het idee dat het bijdraagt aan een hoger doel of omdat het wordt geacht het probleem beter op te lossen dan andere uitvindingen. Vaker dan rationele of doordachte overwegingen wordt er echter geïmiteerd volgens ‘extra-logische wetten’. Bij deze wetten gaat het meer om cultureel bepaalde redenen, maar ook psychologische en sociologische invloeden spelen een rol. Beperken we ons tot het fenomeen criminaliteit, zo laat Tarde zien, dan komen bepaalde vormen steeds vaker voor doordat de interacties tussen verschillende personen in aantal toenemen (van platteland naar stad, van aristocratie naar burgerij). Zo wijst hij onder meer op de beruchte zaak van het kindermeisje Henriette Cornier, die in 1825 in Parijs een 19-maanden jong kind onthoofdde en het hoofd vervolgens uit een raam wierp. Niet lang daarna geven ook andere verpleegsters toe aan een ‘onweerstaanbaar verlangen om de keel af te snijden van de kinderen van hun bazen’.(23)

 

… uitvindingen

Met ‘algemene wetten’ bedoelt Tarde dat het proces van imitatie niet alleen een rol speelt in het sociale leven, maar ook op andere gebieden zoals de geologie, astronomie en de scheikunde. Weliswaar noemt hij de wetten ‘algemeen’, de uitwerking is op ieder gebied steeds anders. Het proces van ‘uitvinding’ neemt in dit geheel een bijzondere plaats in. Een uitvinding is pas sociaal, zo schrijft Tarde in Social Laws, wanneer het wordt geïmiteerd in het sociale leven.(24) Vanuit maatschappelijk oogpunt bezien doen uitvindingen die niet worden geïmiteerd er niet toe.(25) Dit betekent dat een uitvinding pas effecten produceert wanneer het wordt opgenomen in reeksen van imitaties die ‘achter elkaar, stuk voor stuk, in het domein vallen van het gewone, het traditionele, en het gebruikelijke’.(26) Het gaat daarbij om kleine en grote imitaties, om imitaties die plaatsvinden gedurende een korte en lange termijn.
Tarde definieert een uitvinding als de combinatie van ongelijksoortige imitaties.(27) Ook uitvindingen vertakken zich volgens Tarde namelijk als reeksen, als verbindingen van een keten met ‘variabele intervallen, soms van een paar dagen of maanden, soms van verschillende eeuwen’.(28) Daarbij voegen ze zich in reeksen van imitaties waardoor ze als een vlek uitbreiden en een sociaal-cultureel veld steeds meer gelijkenis zal krijgen. Hoe moeten we dit begrijpen? Uitvindingen verspreiden zich, om een favoriete analogie van Tarde te gebruiken, als rimpelingen in water, bewegend naar de grens van een gebied totdat ze in contact komen met een of ander obstakel. Dit obstakel zal volgens Tarde dikwijls de imitatie van een eerdere uitvinding zijn en vanuit hun botsing (in dialectische termen: ‘oppositie’) ontstaat zo een nieuw product, dat wil zeggen: een nieuwe uitvinding die op haar beurt weer kan worden geïmiteerd totdat het wederom in contact komt met nieuwe obstakels.(29) Vanuit deze analogie is de samenleving één groot irrigatiesysteem; met stromen, onderstromen en tegenstromen die allemaal voortdurend in beweging zijn.(30)
Hoewel uitvinding en imitatie niet hiërarchisch tegenover elkaar zijn te plaatsen (het zijn immers krachten die elkaar wederzijds beïnvloeden), lijkt Tarde in zijn benadering van uitvindingen toch sterk vast te houden aan het klassieke begrip van ‘genie’, zoals dat onder meer terug is te vinden in het laatste deel van Kants beroemde drie Kritiken – Kritik der Urteilskraft (1790). Een genie beschikt voor Kant over een creativiteit die wordt gekenmerkt door een autonome (autonomie is letterlijk ‘zelf-wetgeving’) vormgeving. Hij heeft oog voor datgene wat voor anderen niet meer is dan toevallig of triviaal. Op vergelijkbare wijze schrijft Tarde uitvindingen verschillende keren toe aan het vermogen van ‘true great man’. In Penal Philosophy bijvoorbeeld stelt hij dat deze personen de massa kunnen hervormen en beetje bij beetje naar zichzelf weten te plooien.(31) Toch biedt deze rationalistische visie voor Tarde slechts een gedeeltelijke verklaring voor het feit dat we ‘meer imiteren dan innoveren’.(32) In tegenstelling tot de meer rationele benaderingen van Durkheim spreekt Tarde in navolging van Théodule Ribots’ Essai sur l’imagination créatice (1900) ook over andere factoren die invloed hebben op het ontstaan van nieuwe uitvindingen, zoals emoties of verlangens (‘angst of woede, verdriet of vreugde, haat of liefde’).(33) In The Laws of Imitation weigert hij dan ook om een onderscheid te maken tussen bewuste en onbewuste uitvindingen.(34)
De vraag blijft echter overeind in hoeverre Tarde’s benadering een pleidooi voor de beoefening van ‘psychologisme’ of ‘spiritualisme’ inhoudt? In Difference and Repetition weerlegt Deleuze de kritiek dat achter Tarde’s sociologie een psychologie verborgen zou gaan. Volgens Deleuze bewerkstelligt Tarde een ‘microsociologie die niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op wat er gebeurt tussen individuen, maar dat in de kiem al te vinden is in een enkel individu: bijvoorbeeld aarzeling opvatten als “minuscule sociale weerstand” of creatieve verandering als “minuscule sociale aanpassing”.’ (35) Wat Tarde daarmee laat zien is dat naast het vraagstuk van structuur altijd een tweede vraagstuk operationeel is. Eerder dan op het structurele niveau van orde en stabiliteit, dat we ‘molair’ kunnen noemen, gaat het hier om een ‘moleculair’ niveau dat een heel ander ritme en snelheid heeft.(36) Goed beschouwd hoeft dit niveau nauwelijks zichtbaar of merkbaar te zijn. Omgekeerd heeft het wel de potentie om een sociaal-cultureel veld open te breken en te transformeren.

 

Gabriel Tarde en de criminologie

Hoewel Tarde zich uitvoerig heeft bezig gehouden met criminologische kwesties, zou het de nodige overdrijving kosten hem te rekenen tot een van de meest bekende en invloedrijke personen in de geschiedenis van de criminologie. Hoewel een uitputtende lijst moeilijk is te geven, treffen we zijn naam slechts bij heel hoge uitzondering aan tussen die van Cesare Beccaria, Adolphe Quetelet en Cesare Lombroso, to name just a few wiens werk als standaard wordt gezien in de Westerse criminologie. Dat de ideeën van Tarde niet meer zijn dan ‘een voetnoot in de intellectuele geschiedenis’, wijten commentatoren aan de geringe actuele waarde van zijn denken.(37) Hoogstens kun je volgens hen stellen dat hij bepaalde ontwikkelingen in de criminologie een duwtje in de rug heeft gegeven. Hiermee lijkt het dat het debat tussen Tarde en Durkheim gewonnen is door deze laatste. Immers, de huidige sociaalwetenschappelijke perspectieven op het besturen van veiligheid zijn in belangrijke mate durkheimiaans. Ze gaan grotendeels uit van een rechtlijnig monocausaal verband en draaien voornamelijk om de impliciete veronderstelling dat actoren en gedragingen door allerlei systemen kunnen worden aangestuurd.
In deze bijdrage hebben we geprobeerd te laten zien dat Tarde belangrijke vragen stelt bij dit durkheimiaanse perspectief waarmee de westerse wereld tracht veiligheid te (be)sturen. Beleidsingrepen brengen namelijk vaak weinig voort van wat zij beoogden en er moeten steeds nieuwe, vaak strengere maatregelen en wetgeving worden ontwikkeld om met de ontstane problemen om te gaan. Natuurlijk leveren deze inspanningen wel iets op, maar het is vaak niet de efficiënte aanpak van criminaliteit zoals die werd vooropgesteld.(38) Tarde laat zien dat het onderzoek naar veiligheid en criminaliteit gebaat zou zijn met de studie van wisselwerkingsprocessen tussen losse elementen die juist structuur en orde tot stand brengen, maar die zelden in wetenschappelijk onderzoek bestudeerd worden of aan bod komen in beleidsinspanningen.(39) Of, hoe de kleinste variaties en transformaties van doen en zeggen de basis kunnen vormen van steeds nieuwe sociaal-culturele velden en veranderingen in het veiligheidsvraagstuk.

 

Noten

* Vrij naar de western ‘The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford’ (2007) van Andrew Dominik over de moord op de outlaw Jesse James door zijn bendelid Robert Ford.
(1) Schuilenburg, M. (2009), Assemblages, in: E. Romein & M. Schuilenburg & S. van Tuinen (red.) Deleuze compendium, Amsterdam: Boom, p. 205-223.
(2) Beck, U. (1999), World Risk Society, Cambridge: Polity Press, p. 152
(3) Laermans, R. (1995), Sociologie vandaag: enkele stellingen en notities, in: Tijdschrift voor Sociologie, vol. 16, nr. 2. p. 133-141
(4) Durkheim, E. (1977), Over moraliteit, Meppel: Boom, p. 12
(5) Durkheim, 1977, p. 8-9
(6) Deleuze, G. (1994), Difference and Repetition (orig. 1968), New York: Columbia University Press, p. 314 n. 3
(7) Tarde, G. (1969), On communication and social influence (selected papers. Edited and with an introduction by Terry N. Clark), Chicago: University of Chicago Press, p. 115, 117
(8) Tarde, G. (1962), The Laws of Imitation (orig. 1890), Massachusetts: Gloucester, p. ix-x
(9) Tarde, G. (1912), Penal Philosophy (orig. 1890), Boston: Little, Brown, and Company, p. 326
(10) Tarde, 1962, p. 14
(11) Tarde, 1962, p. 6
(12) Tarde, 1962, p. 68
(13) Tarde, 1962, p. 87
(14) Tarde, G. (2000), Social Laws. An outline of sociology (orig. 1898), Kitchener, Ontario: Batoche Books, p. 8
(15) Tarde, G. (1999), Monadologie et sociologie (orig. 1893), Paris: Les empêcheurs de penser en rond, p. 58
(16) Latour, B. (2002), Gabriel Tarde and the End of the Social, in: The Social in Question. New Bearings in History and the Social Sciences (P. Joyce, ed.), London: Routledge, p. 117-132
(17) Tarde, 1962, p. 17
(18) Tarde, 1962, p. xiv
(19) Jong, J., de (2007), Kapot moeilijk, Amsterdam: Aksant
(20) Tarde, 1912, p. 362
(21) Tarde, 1912, p. 338
(22) Tarde, 1912, p. 362
(23) Tarde, 1912, p. 340
(24) Tarde, 2000, p. 23, 78
(25) Tarde, 1912, p. 396 n.1
(26) Tarde, 1912, p. 118
(27) Tarde, 1969, p. 153
(28) Tarde, 1969, p. 160
(29) Tarde, 1969, p. 21
(30) Vgl. Ginneken, J. Van (1992), Crowds, Psychology, and Politics, 1871-1899, Cambridge: Cambridge University Press, p. 200
(31) Tarde, 1912, p. 164-165
(32) Tarde, 1962, p. 98
(33) Tarde, 1969, p. 150
(34) Tarde, 1962, p. xiv
(35) Deleuze, 1994, p. 313-314
(36) Zie ook Van Calster, P. & M. Schuilenburg (2010) Governing security: including the molecular into the molar, in: Blad, J, e.a. (eds.) Governing security under the rule of law? (te verschijnen)
(37) Beirne, P. (2001) Introduction to the transaction edition, in: G. Tarde, Penal Philosophy (1912). New Jersey: Transaction Publishers, p. xi
(38) Van Calster, P. (2006) Re-visiting Mr. Nice. On Organized Crime as Conversational Interaction, Crime, Law and Social Change, 45, 4, p. 337-359
(39) Zie voor een eerste poging hiertoe: Schuilenburg, M., A. Coenraads & P. Van Calster (2009) Onder de mensen. De aanpak van transportcriminaliteit door politie, verzekeraars en schade-experts, Justitiële Verkenningen, 35 (1), p. 43-62

Top