Marc Schuilenburg en Patrick Van Calster
De huidige sociaalwetenschappelijke perspectieven op het besturen van veiligheid gaan grotendeels uit van een rechtlijnig monocausaal verband. Ze draaien voornamelijk om de impliciete veronderstelling dat actoren en gedragingen door allerlei systemen kunnen worden aangestuurd. Datgene wat wordt verondersteld actoren aan te sturen wordt in een systeem gelokaliseerd dat een determinerende invloed veronderstelt te hebben op diens handelen. Hoewel dit een succesvolle manier is om bepaalde sociale fenomenen met een lage organisatiegraad te organiseren en te controleren, schiet het behoorlijk tekort wanneer het hogere organisatiegraden betreft, zoals criminaliteit en veiligheidsbeleid, die emergente fenomenen zijn.(1)
Een ander probleem waaraan het veiligheidsbeleid lijdt, is dat beleidsingrepen vaak weinig voortbrengen van wat zij beoogden en dat er steeds nieuwe, vaak strengere maatregelen en wetgeving moeten worden ontwikkeld om met de ontstane problemen om te gaan. Natuurlijk leveren deze inspanningen wel iets op, maar het is vaak niet de efficiënte aanpak van criminaliteit zoals die werd vooropgesteld.(2) Integendeel, deze ingrepen maken veelal de zaken complexer. Bovendien produceren deze beleidsingrepen vele perverse neveneffecten, zoals het in gevaar brengen van fundamentele rechten en vrijheden.(3)
Juist omdat men deze nieuwe problemen niet begrijpt en niet onder controle kan brengen, is het gevolg dat men wil ingrijpen nog voor de problemen zich stellen. Nemen we de Collectieve Winkelontzegging. In Nederland hebben winkeliers onder het mom van voorzorg zelf veiligheidsmaatregelen ingevoerd omdat er geen zekerheid bestaat dat deze niet nodig zouden zijn. Zij hanteren de redenering: zolang er geen zekerheid is over de totale afwezigheid van gevaar, is ingrijpen legitiem.(4) De aandacht verschuift zo naar het beheersen van risico’s en het ingrijpen voor er zich eventuele problemen voordoen. Het controlesysteem wordt als het ware uitgebreid met inschattingen over mogelijke toekomstige problemen. Het gevolg hiervan is dat er allerlei modellen ontstaan die proberen potentiële risico’s in te schatten.
In deze bijdrage willen we de bovenstaande problematiek vanuit een filosofisch oogpunt toelichten en verder uitwerken. Dit doen we door te argumenteren dat de gebruikelijke benadering van veiligheid en criminaliteit een afgeleide is van wat we het ‘molaire denken’ willen noemen. De term ‘molair’ komt uit de thermodynamica, een onderdeel van de natuurkunde dat zich bezig houdt met de bestudering van interacties tussen grote verzamelingen van deeltjes op een macroscopisch niveau. Het is precies deze macroscopische benadering die eveneens centraal staat in het overgrote deel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar veiligheid en criminaliteit.
Wij willen argumenteren dat het onderzoek naar veiligheid en criminaliteit gebaat zou zijn met ‘het moleculaire’, een beschrijvingsniveau waarmee het molaire onlosmakelijk verbonden is. Het moleculaire niveau, eveneens een begrip uit de fysica, bestaat uit wisselwerkingsprocessen tussen losse elementen die het molaire als het ware tot stand brengen, maar die zelden in wetenschappelijk onderzoek bestudeerd worden of aan bod komen in beleidsinspanningen. Dat stelt vragen over de manier van besturen van veiligheid, zoals die wordt beschreven in criminologische perspectieven als nodal governance, preventative partnerships en lokale veiligheidsnetwerken. Allereerst gaan we in op het molaire denken. Vervolgens staan we stil bij het moleculaire niveau dat draait om onvoorspelbare koppelingen en connecties. Daarna besteden we aandacht aan de belangrijkste verschillen tussen het molaire en moleculaire. Tenslotte bespreken we de wisselwerking tussen beide niveaus en wat de consequenties hiervan zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar het besturen van het veiligheidsvraagstuk.
In een uitgebreid gedocumenteerde studie heeft socioloog Schinkel laten zien dat, wat wij noemen, ‘het molaire denken’ altijd centraal heeft gestaan in de West-Europese ideeëngeschiedenis.(5) Plato gebruikte het in zijn beschrijving van de stadstaat in Timeaeus waarbij aan het hoofd de rede stond, de nobele inborst gevormd werd door de wachters en het volk plaats had in de onderste delen van het sociaal lichaam. Het lag aan de basis van het christelijke sociale denken met als voorbeeld het werk Policraticus (1159) van John of Salisbury waarin de koning, als plaatsvervanger van God op aarde, aan het hoofd staat van het sociaal lichaam en de boeren de belichaming zijn van de voeten. Vergelijkbaar gebeurde aan het eind van de Middeleeuwen met de intrede van de absolute staat, vervolgens in de maatschappelijke orde na het einde van het Ancien Régime, gesymboliseerd door de onthoofding van Louis XVI in 1793, en uiteindelijk in de moderniteit via het werk van sociologen als Spencer, Comte en Durkheim die de werkelijkheid beschouwen als een groot organisme dat bestaat uit losse delen (individuen, families of corporaties) die niet alleen het geheel in stand houden maar ook optimaal laten functioneren.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het molaire eveneens dominant aanwezig is in het hedendaags sociaal-wetenschappelijke onderzoek. Immers, net zoals de meeste bèta-onderzoekers hebben ook onderzoekers van de sociale werkelijkheid, de neiging om de sociale werkelijkheid in delen op te breken. Deze methode laat zich kenmerken door de aandacht voor geïsoleerde en controleerbare elementen. Het schrijft grenzen toe aan wat wordt onderzocht en zondert daardoor het onderzoeksobject af van de rest van de werkelijkheid. Het resultaat is dat de werkelijkheid in bepaalde categorieën wordt opgedeeld en dat deze categorieën quasihomogeen worden voorgesteld.
Deze vereenvoudiging staat toe om naar de wetmatigheden tussen en in categorieën te kijken. Op basis daarvan construeert men verklaringen en mogelijke oplossingen voor opduikende problemen. Onderzoekers bestuderen met andere woorden ‘het geheel’. Het gevolg is dat onderzoekers de delen onderzoeken op wat zij aan het geheel bijdragen. Deze delen worden verondersteld te bestaan omwille van het geheel en om het geheel in stand te houden. Het geheel wordt begrepen als een systeem dat op een dynamische wijze een doel wil bereiken. Op die manier nemen de delen deel aan het geheel. Het geheel wordt dus bestudeerd als een autonoom functionerend ‘ding’. Wat kenmerkend voor deze manier van denken is, is dat het verglijdt in een spreken over ‘het systeem’ als een autonome kracht, dat een intentie heeft en dus verantwoordelijk kan worden gesteld.(6)
In deze benadering wordt weinig of geen aandacht besteed aan de diversiteit van de personen die deze taken uitvoeren. Ze worden impliciet verondersteld ‘hetzelfde’ te zijn. Ook worden de vele interacties tussen hen genegeerd en dit draagt bij tot de veronderstelling dat deze interacties allemaal dezelfde zijn, dat wil zeggen: gemiddeld, of verdeeld rond een gemiddelde. Deze opvatting over de sociale werkelijkheid kan alleen maar vernieuwing verklaren wanneer het extern wordt opgelegd. Nieuwe initiatieven kunnen alleen maar worden toegeschreven aan de opzettelijke keuzes die autonome individuen maken. Maar ze kan niet verklaren hoe zij tot deze keuzes komen, behalve dan door ze toe te schrijven aan rationaliteit. Dit autonome individu wordt dus verondersteld buiten de groepsdynamieken te staan, ze te evalueren, en de juiste gedragingen voor te schrijven opdat het probleem kan worden aangepakt.(7) Wat het molaire aldus kenmerkt is dat het de aandacht focust op de systemen die het handelen verondersteld worden aan te drijven. Men heeft de indruk dat wanneer deze systemen optimaal zijn, het handelen hierdoor in goede (lees: gecontroleerde) banen kan worden geleid. De consequentie van deze aanpak is dat het controlesysteem steeds verder wordt uitgebreid. Echter, dit leidt de aandacht af van de alledaagsheid, van het dagelijks handelen en van de interactie.
Een ander gevaar is dat maatregelen die worden ingeroepen om een uitzonderlijke toestand aan te pakken niet worden herroepen en gebruikt worden voor situaties waar deze niet nodig zijn. Onsea laat zien dat in de strijd tegen criminaliteit de rechtsbescherming van de burger ernstig wordt gekortwiekt.(8) Zij stelt de vraag of de voorstellen tot verscherping van het straf(proces)recht in de strijd tegen criminaliteit verenigbaar zijn met de grondrechten in het algemeen en met de rechten van verdachte delinquenten in het bijzonder. Haar nauwgezette studie toont aan dat de werkelijke betekenis vooral in het procedureel strafrecht ligt, in de zin dat aan opsporingsambtenaren meer armslag wordt gegeven. Het materieel strafrecht wordt misbruikt om de regels inzake opsporing en vervolging te versoepelen. Door het gebruik van ruime strafbaarstellingen is het gevaar voor overpenalisering zeer reëel. Volgens Onsea kan dit leiden tot de techniek van de verschroeide aarde, waarbij alles en iedereen die slechts zijdelings met een criminaliteit in contact komt, strafbaar wordt. Helaas is de verwachte doeltreffendheid van de maatregelen volledig onduidelijk. Dit systeem zou wel eens een grotere bedreiging voor de democratie kunnen zijn dan de criminaliteit die zij tracht te bestrijden. Immers op deze manier komt de bestrijding van de criminaliteit in een vicieuze cirkel terecht waarin het noodzakelijk is om steeds meer en steeds ingrijpendere opsporingsmethoden te gebruiken.
Tot nu toe hebben we geargumenteerd dat in kwesties over veiligheid en criminaliteit de focus ligt op stabiliteit en controle. Het is een molaire aanpak, waardoor het controlesysteem steeds verder wordt uitgebreid om problemen aan te pakken. Er worden immers steeds nieuwe systemen geïntroduceerd die verondersteld worden gedrag te stroomlijnen. Echter, zoals we al hebben aangegeven is de sociale werkelijkheid veel complexer dan het molaire wil of kan onderzoeken. Het molaire valt dan ook niet te begrijpen zonder begrip van het moleculaire, een term waarmee we het instabiele, het onvoorspelbare, het transformatieve willen uitdrukken.
Laten we kijken naar de manier waarop de fysica dit moleculaire niveau beschrijft. Allereerst wordt aangenomen dat deeltjes los van elkaar bestaan en voortdurend in beweging zijn.(9) Om die dynamiek te concretiseren spreken chemici van interacties tussen moleculen (eiwitten, lipiden, metabolieten, etc.). Hoewel wetenschappers het erover eens zijn dat het hier gaat om een van de meest fundamentele niveaus van interactie, is nog lang niet alles bekend over de onderlinge bewegingen van moleculen ten opzichte van elkaar en de interacties tussen verschillende moleculen. Zo bestaat er onvoldoende inzicht over de manier waarop moleculen interacties met elkaar aangaan en zich onverwachts ordenen in, wat wordt genoemd, zelfassemblages.(10) De natuur is een fraai voorbeeld van een zelfassemblage van moleculen, maar het controleren van de vorm en structuur van zelfassemblerende systemen blijft vooralsnog tot veel vragen leiden in de wetenschap.
Met andere woorden, waar begrippen als ‘controle’ en ‘functionaliteit’ het molaire niveau beheersen, gaat het er heel anders aan toe op het moleculaire niveau. In filosofische zin zou je kunnen zeggen dat het op dit niveau veel meer draait om ‘kleine complexe relaties’ dan om ‘grote dialectische structuren’ die het geheel eenheid en richting geven.(11) Kleine effecten kunnen hier grote en onvoorspelbare gevolgen hebben. Interacties hebben in moleculaire daarom geen enkele referentie tot een centrum, standaard of norm. Een sociaal veld is een permanent worden en wordt niet bepaald door een daarvan losgekoppelde logische orde. Ter nadere bepaling hiervan willen wij drie kenmerken van het moleculaire onderscheiden.
In de eerste plaats situeert het moleculaire zich in de sfeer van het onmiddellijke. Het gaat hierbij om een doen en zeggen dat de wereld op een onmiddellijke wijze tegenwoordig stelt en buiten het kader valt waarin handelingen worden geduid vanuit een rationeel-calculerend mensbeeld. De laatste benadering, zoals die aan de orde komt in de werken Over misdaden en straffen van Beccaria (1764) en Hobbes Leviathan (1651), veronderstelt dat mensen een gedragsoptie kiezen (bijvoorbeeld regelnavolging of regelovertreding) waarvan ze verwachten dat de netto-opbrengst (baten minus kosten) het grootst zal zijn. Eén van de problemen van deze benadering is de beperkte tijdshorizon. De gevolgen van zo’n keuze spelen namelijk pas op de lange termijn. Met het onmiddellijke gaat het veel meer om percepten en affecten (trots, frustratie, plezier, kick, schaamte, verlangen) die spelen in de reële tijd, dat wil zeggen in het hier-en-nu en die vanuit een molaire bril als uitzonderlijk of onbelangrijk terzijde worden geschoven omdat ze buiten het kader vallen van uniformiteit of een kenbaar doel.(12)
In de tweede plaats kenmerkt het moleculaire zich door heterogene reeksen. Relaties in het moleculaire vormen nooit een vaste eenheid, maar altijd een heterogeen gebeuren dat leidt tot onverwachte koppelingen en connecties. Hoe meer heterogene koppelingen, hoe veranderlijker het geheel. Je kan daarbij denken aan non-lineaire verbanden, open reeksen en onvoorspelbare interacties die ertoe leiden dat een geheel op drift raakt en richtingen opgaat die niet van tevoren zijn afgesproken of vastgelegd. Dit betekent dat – tegen de wetten van de klassieke causaliteit in – het toeval als oorzaak van veranderingen moet worden meegenomen in de bestudering van sociale praktijken.
In de derde plaats is er het kenmerk van perspectivisme. Het gaat hierbij om individuele perspectieven die mensen erop na houden en van elkaar hebben. Dat betekent dat gebeurtenissen of handelingen altijd vanuit verschillende standpunten kunnen worden bekeken waarbij niet kan worden gesteld dat één perspectief meer waard is dan een andere. Vanuit dit kenmerk bezien is er geen interpretatie van de sociale werkelijkheid die altijd ‘compleet’ of ‘volkomen’ is, daarvoor is het een interpretatie. Meer specifiek betekent dit dat een wetenschapper een bepaald probleem altijd vanuit een uniek gezichtspunt bekijkt. In dat kader is het belangrijk dat dit perspectivisme niets van doen heeft met een vrijblijvend relativisme, waarin elke maatstaf kwijt is op basis waarvan je iets kan beoordelen. Perspectivisme is géén relativisme. Volgens de hier verdedigde positie gaat het om iets anders. Aan de ene kant kan door een perspectivistische aanpak sensibiliteit worden ontwikkeld voor andere gezichtspunten. Aan de andere kant dwingt het onder ogen te zien de voorwaarden en concrete omstandigheden waaronder een bepaald gezichtspunt verschijnt aan een persoon.
Kortom, in tegenstelling tot het molaire kent het moleculaire geen eenduidige bepaling noch individuele begrenzing. Het is fundamenteel ambigu en paradoxaal. Misschien is het deze ongrijpbaarheid waardoor de onderzoekers naar het besturen van het veiligheidsvraagstuk, een structureel wantrouwen koesteren tegen het gebeurteniskarakter van het moleculaire. Immers, interacties worden door sociologen of economen veelal afgeplat tot het nut of belang voor een groter geheel (winst, omzet), waardoor hun aandacht zich op het molaire concentreert. Criminologen die zich bezighouden met 'groepsdynamische processen' of 'groepsdynamiek' gaan feitelijk op zoek naar de kenmerken van een groep, zoals rivaliteit, structuur en leiderschap, die geen dynamisch maar juist een statisch beeld opleveren. Ook deze criminologen focussen zich dus op molaire patronen en uitdrukkingen. Daarmee bouwen ze voort aan een structuur van algemene wetten die kunnen worden toegepast op afzonderlijke elementen.
Het zou verkeerd zijn om het moleculaire en molaire als twee van elkaar gescheiden niveaus te zien. Beide niveaus haken op elkaar in en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Eigenlijk brengen ze elkaar tot stand. Daarbij draait het om de wisselwerking tussen stabiliteit en verandering waarbij verandering kan schuilen in de allerkleinste gebeurtenis of interactie van een willekeurig element. Een dergelijke insteek, die uitstekend past in de exacte wetenschappen, is nog weinig ontwikkeld in de criminologie. Misschien komt dit doordat het moleculaire wordt gezien als een minimale orde of – nog erger – als wanorde en chaos. Zo wordt de term ‘moleculaire chaos’ gebruikt in de thermodynamica, wat in die discipline wil zeggen dat het gedrag van moleculen voordat ze botsen, onderling onafhankelijk is.(13) Of misschien komt het in de veronderstelling dat het moleculaire op ieder moment in staat zou zijn het molaire niveau op te heffen. De kracht van het moleculaire zou dan die van het molaire ver te boven gaan. Beide veronderstellingen zijn misverstanden. Het gaat er niet om het moleculaire als chaotisch en revolutionair neer te zetten, noch om het molaire af te doen als dogmatisch en conservatief. Daarom is het goed enkele misverstanden weg te nemen over het verschil tussen molair en moleculair. Er zijn minimaal drie verkeerde manieren om de onderlinge verhouding te begrijpen.
Het ‘molaire’ verwijst niet naar grote eenheden, net zomin als dat het ‘moleculaire’ naar kleine eenheden zou verwijzen. Dat zou immers betekenen dat je van doen hebt met een macro- en microfysica van handelen. In werkelijkheid zijn beide niveaus niet van elkaar te onderscheiden door hun grootte of door hun schaal. Waar het moleculaire betrekking heeft op bewegingen en stromen, duidt het molaire op gehelen en structuren. In dat opzicht is het beter te spreken van een verschil in compositie, organisatie en consistentie tussen de elementen op molair en moleculair niveau. Het molaire en moleculaire worden namelijk niet bepaald door het aantal elementen dat ze verbinden, en dus ook niet zozeer door hun veelvoudige karakter, maar wel door de aard van de relaties tussen de termen. Dit verschil hangt samen met het systeem van referentie waarmee ieder niveau kan worden uitgedrukt. In het geval van het moleculaire gaat het om eigenschappen als rizomatisch, meerstemmig, transversaal, glad, processueel, intensief en ondeelbaar. Het molaire is verbonden met kenmerken als boomachtig, eenstemmig, lineair, gegroefd, statisch, extensief en deelbaar.
Molair valt ook niet samen met vorm, noch kan moleculair gelijk worden gesteld aan materie. Eerder is gesteld dat het in het molaire vooral gaat om gehelen en geïsoleerde en controleerbare elementen. Weliswaar zal de werking op molair niveau daarom sneller zichtbaar zijn, eenvoudigweg omdat het handelen tot op zekere hoogte gefixeerd en ingekaderd wordt aan de hand van – op het eerste gezicht – eenduidige en dwingende voorschriften. Maar, het gaat er niet om het molaire te reduceren tot louter een abstracte of juridische vorm (bijvoorbeeld het conscience collective bij Durkheim of het sociaal contract bij Hobbes en Beccaria) die los staat van het handelen zelf. Het molaire zou dan geruststellend zijn, terwijl het moleculaire ontregelend is. Ook het molaire is namelijk geen interactieloze structuur. Kenmerkend is juist dat beide niveaus een lokalisering van handelen mogelijk maken die, om het simpel te stellen, in het geval van het molaire tot functie heeft het binden of unificeren van het moleculaire door het in te voegen in grotere gehelen.
Tot slot is er geen oppositie tussen beide niveaus. Het verschil tussen het molaire en moleculaire is niet zuiver of absoluut. Eigenlijk zijn ze nooit helemaal van elkaar te scheiden. Er staat geen Chinese Muur tussen het molaire en moleculaire. Hoewel beide niveaus in de regel afzonderlijk van elkaar worden behandeld, alsof het gaat om twee verschillende soorten van sociale werkelijkheid, is er in feite maar één proces dat aan het werk is. In dat opzicht is er geen sprake van een dialectisch ‘of-of’, maar van een differentiërend ‘en-en’ dat ongelijksoortige zaken aan elkaar koppelt. Alles gebeurt zo altijd gelijktijdig en naast elkaar. Zo worden politieke beslissingen altijd op molair niveau genomen, maar tegelijkertijd door moleculaire processen bepaald.(14) Daarmee bestaat het moleculaire nooit onafhankelijk van een molair niveau. In plaats van een absoluut verschil lopen de twee verschillende niveaus voortdurend in elkaar over en zijn met elkaar verbonden in, wat je zou kunnen noemen, een zone van ononderscheidbaarheid.
Vanuit criminologisch perspectief is het belangrijk te onderkennen dat het molaire slechts één manier is om naar de sociale werkelijkheid te kijken. Alleen oog hebben voor het vraagstuk van functionaliteit en stabiliteit leidt echter tot een drastische vereenvoudiging van dezelfde werkelijkheid. Immers, het molaire wordt als het positieve algemene geaffirmeerd, zonder rekening te houden met bijvoorbeeld de pool van spontaniteit, het toevallige, heterogene en onvoorspelbare. Sterker nog, het valt op dat het molaire niveau er niet mee overweg kan en deze zaken uit het onderzoekskader weglaat. Als zodanig laat het geen echte wordingen en veranderingen toe en weigert het de vele reeksen van interacties tussen mensen van vlees en bloed te onderkennen die niet zijn te controleren of te beheersen. Een gevolg is dat het molaire slechts greep krijgt op een deel van de onderhavige problematiek in een sociaal veld. Om die reden zou het de eigen pretenties moeten relativeren, en meer recht moeten doen aan een permanent en dynamisch worden dat zich niet of moeilijk laat formaliseren of laat interpreteren vanuit dwingende categorieën of abstracte principes. Dat roept echter wel de vraag op hoe de wisselwerking tussen het moleculaire en molaire concreet kan worden begrepen.
Zoals we hebben gezien bestaat een geheel uit een verzameling van een aantal heterogene elementen die zich zodanig tot elkaar verhouden dat er een zekere consistentie bestaat ten opzichte van elkaar. Bezien vanuit een moleculaire bril is het altijd een open verzameling omdat de elementen zowel gerelateerd zijn aan concrete omstandigheden als voortdurend bemiddeld worden door relaties die zich tussen hen in bevinden.(15) In filosofische zin betekent dit dat een element immanent is aan de niet veralgemeniseerbare omstandigheden en relaties waarin het existeert. Essentie en eenheid worden op die manier vervangen door een dynamisch ‘midden’ dat de dingen in de bestaande werkelijkheid onderling verbindt. Daarmee is dit midden geen principe die de werkelijkheid een eenduidige richting en eenheid geeft, maar een plaats (of beter: proces) waar nieuwe relaties ontstaan en nieuwe verbindingen worden gecreëerd. In meer algemene zin hangt het midden zo samen met de wisselende omstandigheden waaronder iets nieuws kan verschijnen en met alles wat verschilt. Kenmerkend hiervoor is het werkwoord ‘koppelen’. Dit koppelingsprincipe kan fysiek, talig of conceptueel zijn en verbindt elementen met elkaar in een groter geheel. Wat hierbij vooral belangrijk is, is dat op ieder moment een koppeling ervoor kan zorgen dat een afzonderlijk element verandert en daarmee het geheel. Bovendien kan het ervoor zorgen dat nieuwe elementen in een geheel worden opgenomen of oude elementen uit verdwijnen. In zekere zin verandert het geheel dan voortdurend van inhoud en uitdrukking.(16) Of anders gesteld, de dynamiek tussen de elementen op een moleculair niveau doet de aard en samenstelling van een molair geheel steeds veranderen.
Vertalen we dit koppelingesprincipe in termen van interacties tussen elementen in een geheel (politieorganisatie, publiek-privaat samenwerkingsverband, rechtbank enzovoort), dan betekent dit dat iedere interactie ervoor kan zorgen dat een sociaal verband op drift raakt, wat inhoudt dat een bestaand veld van ordeningen wordt opengebroken en richtingen opgaat die niet formeel zijn vastgelegd of wettelijk zijn geregeld. Interacties bevinden zich namelijk altijd in het midden en brengen met elke koppeling iets nieuws tot stand. In dat opzicht bemiddelen interacties de elementen in een geheel permanent. Het is daarom belangrijk te beseffen dat interacties bestaan voordat ze elementen met elkaar verbinden en ook blijven bestaan als nieuwe elementen erbij komen of oude verdwijnen. In die zin zijn ze extern aan elementen en blijven ze van kracht nadat bepaalde gebeurtenissen zich hebben voorgedaan, specifieke vormen of structuren in het leven zijn geroepen of sociale handelingen zijn verricht. Dit betekent dat de interacties niet kunnen worden herleid tot de elementen die ze verbinden. Immers, ze kunnen veranderen zonder dat de elementen veranderen.(17) Daarnaast verklaren de eigenschappen van de elementen niet de interacties die het geheel vorm en inhoud geven. Zo bezien is het elementaire sociale feit niet het individu of het geheel, maar heterogene reeksen van interacties die verschil produceren, bewegingen waardoor iets kwalitatief en kwantitatief wordt gedifferentieerd.
Het mag inmiddels duidelijk zijn dat we ver verwijderd zijn van klassieke manieren om over zin of betekenisgeving na te denken. Daar heet het dan dat het menselijk subject als centrum van zingeving fungeert, een logica die haar formulering vindt in Descartes’ magische spreuk ‘Ik denk, dus ik besta’. Het handelen en beslissen van een persoon is hierin het product van een vrije, autonome en steeds aan zichzelf gelijkblijvende actor. Zonder er zelf deel van uit te maken staat deze persoon tegenover zijn directe omgeving. Vanuit een externe positie kan het de sociale werkelijkheid in haar geheel bevatten en omvatten. Vanuit de wisselwerking tussen het molaire en moleculaire dienen we er echter vanuit te gaan dat de interactie niet gereduceerd kan worden tot het handelen van het individu, dat wil zeggen: van de substantie of het subject waaraan het refereert of wordt toegeschreven. De interactie is een op zichzelf functionerend gebeuren. Het drukt een voortdurend ‘worden’ of ‘beweging’ uit. Dit maakt het erg problematisch om te zeggen wat precies wat veroorzaakt, of wat het gevolg is van wat. Meer nog, de relatie tussen oorzaak en gevolg is zeer ambigue en kan moeilijk worden vastgesteld.
Aandacht voor het moleculaire betekent aandacht voor de wijze waarop de kleinste variaties en transformaties van doen en zeggen de basis vormen van allerlei nieuwe sociaal-culturele velden. Elders hebben wij gerapporteerd over het onderzoek dat we gedaan hebben naar de samenwerking van politie en verzekeringsbedrijven in de aanpak van transportcriminaliteit.(18) Hoewel op het gebied van de transportcriminaliteit meerdere officiële samenwerkingsovereenkomsten zijn afgesloten, nuanceren persoonlijke beelden, voorkeuren, frustraties en spanningen het idee dat de actoren in het samenwerkingsverband gericht zijn op hetzelfde doel en dezelfde belangen nastreven. Uit het onderzoek komt naar voren dat vertrouwen en angst op elkaar ingrijpen en elkaar versterken. De informatie-uitwisseling blijkt sterker afhankelijk van informele contacten dan van formele afspraken hierover. We ontdekten dat binnen de officiële taal van de samenwerking een eigen manier van spreken ontstaat waarbij allerlei mechanismen worden uitgevonden die andere actoren tot actie moeten dwingen. Kortom, de relaties tussen de actoren veranderen voortdurend en daardoor de uitkomsten. Wanneer je de aandacht daarom focust op de relaties tussen actoren komen dan ook andere zaken aan het licht over de wijze waarop het veiligheidsvraagstuk wordt bestuurd. Dat is immers een complex en uiterst dynamisch proces, dat bovendien slechts denkbaar is tegen de achtergrond van een oneindige beweeglijkheid van de sociale werkelijkheid. Uiteindelijk stelt dit ons voor de uitdaging te onderzoeken ‘wat er gebeurt’ zonder dit bij voorbaat te reduceren tot vaste ordeningen of molaire structuren.
(1) Zie Van Calster, P. (2005) Georganiseerde criminaliteit als emergent fenomeen van complexe wisselwerkingsprocessen, doctoraatsdissertatie, Vrije Universiteit Brussel
(2) Van Calster, P. (2006) Re-visiting Mr. Nice. On Organized Crime as Conversational Interaction, Crime, Law and Social Change, 45, 4, p. 337-359
(3) Onsea, I. (2002) De Bestrijding van Georganiseerde Criminaliteit in het Belgische Strafrecht: De Subtiele Grens Tussen Waarheidsvinding en Grondrechten, Proefschrift Voorgelegd tot het Behalen van de Graad van Doctor in de Rechten aan de Universitaire Instelling Antwerpen, ongepubliceerd
(4) Wesselink, L., M. Schuilenburg & P. Van Calster (2009) De Collectieve Winkelontzegging, Tijdschrift voor de Veiligheid, 1, p. 6-19
(5) Schinkel, W. (2007) Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Kampen: Klement
(6) Zie ook Van Calster, P. (2010) Studying Society, Safety, and Security: Notes on Observer Involvement, in: Lippens, R. & Calster, P., Van (Eds.) New Directions for Criminology. Notes from Outside the Field, Antwerpen/Apeldoorn/Portland: Maklu, p. 17-39
(7) Zie wat dit betreft een eerdere bijdrage in dit tijdschrift: Van Calster, P. (2005) Een pleidooi voor wetenschappelijk-criminologisch onderzoek naar micro-processen oftewel het vragen van aandacht voor het besef dat criminelen, rechercheurs en wetenschappers ook maar mensen zijn, Panopticon, 26, 6, p. 1-8
(8) Onsea, I. (2007)
(9) Zie ook Kubinga, H. (2003) De molecularisering van het wereldbeeld. Deel I. Hilversum: Verloren, p. 65
(10) Zie ook Sijbesma, R. (2007) Pakkende verbindingen. Zelf-organiserende moleculen voor functionele materialen. Intreereden, uitgesproken op 23 februari 2007 aan de Technische Universiteit Eindhoven
(11) Alliez, E. (2009) ‘Gabriel Tarde’. In: G. Jones & J. Roffe (ed.), Deleuze’s philosophical lineage. Edinburgh: Edinburgh University Press, p. 209-218
(12) Schuilenburg, M. (2008), The dislocating perspective of assemblages. Another look at the issue of security, Open. Cahier on art and the public domain, 15, p. 18-35
(13) Prigogine, I. & I. Stengers (1985) Orde uit chaos. De nieuwe dialoog tussen de mens en de natuur. Amsterdam: Bert Bakker, p. 262
(14) Deleuze, G. & F. Guattari (1980) Mille plateaux. Capitalisme et schizophrénie 2. Paris: Éditions de Minuit, p. 271
(15) Schuilenburg, M. (2009) Assemblages, in: E. Romein & M. Schuilenburg & S. van Tuinen (red.) Deleuze compendium, Amsterdam: Boom, p. 205-223
(16) Schuilenburg, M. (2009)
(17) Deleuze, G. & C. Parnet (2002) Dialogues II, New York: Columbia University Press, p. 55
(18) Schuilenburg, M., A. Coenraads & P. Van Calster (2009) Onder de mensen; de aanpak van transportcriminaliteit door politie, verzekeraars en schade-experts. Justitiële Verkenningen, 35 (1), pp. 43-62