Mediapolis

Over nieuwe steden en de dingen die voorbij gaan

 

Gepubliceerd in: Catalogus festival Gogbot, Enschede, 2007, pp. 6-9.

 

Marc Schuilenburg en Alex de Jong

 

De stad die in de verte opdoemt, het is een klassiek beeld. Torenhoge gebouwen staan rustig naast elkaar, verdringen elkaar niet. Ze onderscheiden zich door hun kleur, vorm of hoogte. Ze horen bij elkaar, bijeengehouden door de weerspiegeling van het zonlicht. Vanuit de hoogte overzien ze het oneindige gekrioel in de straten, steegjes en pleinen, kalm slaan ze de gestage aanbouw van buitenwijken en nieuwe buurten gade, richten ze hun blik op de omliggende steden, op de ringwegen die kronkelend haar grenzen tarten. Tegelijkertijd werpen die mastodonten een donkere schaduw over alles wat zich beneden, aan hun voeten afspeelt. Ooit was ze altijd dáár, aan de horizon. Nu is ze steeds meer hier, overal om ons heen. Niets kan zich aan haar verschijning onttrekken. En als de stad voorgoed hier is – opgerukt en groter en massaler dan ooit – komt de vraag op: hoe moeten wij de stad beschouwen? Is de stad nog wel een stad? Heeft ze nog grenzen? En hoe zien we onszelf in haar midden?
Een stad brengt vervreemding met zich mee. In een stad zijn mensen zich bewuster van de eindigheid van tijd, van de maatschappelijke mechanismen, van de eenzaamheid. Om aan de helse last van de tijd te ontsnappen, zo schreef Charles Baudelaire, dienen we ons te buiten te gaan aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid. Wat we ook doen, volgens Baudelaire moeten we ons bedrinken. Een eeuw later introduceerde William Burroughs de paranoia. Hij pleitte voor de oprichting van piratenrepublieken om te ontsnappen aan de indringende vormen van controle die de stad met zich had meegenomen. In die vrije gemeenschappen zou iedereen kunnen doen en laten wat hij wil. En laten we Morrissey niet vergeten als we het over vervreemding hebben. Hij zong over het diepe verlangen ergens bij te willen horen: ‘The last night on Maudlin Street. Goodbye house, forever. I never stole a happy hour around here.’
Vervreemding leidt tot onthechting. Aan sommige mensen bezorgt de drukke stad een ongekend delirium, bij anderen lokt de grootstedelijke anonimiteit agressie uit, of gevoelens van eenzaamheid. Met de tijd zijn dan ook verschillende concepten in zwang geraakt om het stadsleven tegemoet te treden. In de 19e eeuw stond flaneren als typisch stedelijk fenomeen in de belangstelling. Walter Benjamin omschreef de flaneur als een straatwandelaar die zichzelf toont aan andere stedelingen, zich vergaapt aan het verkeer en de etalages van warenhuizen. Later adviseerde Guy Debord stedelingen de dérive. Daarmee bedoelde hij het doelloos rondlopen in de stad zonder een specifieke bestemming. In een dérive mocht de wandelaar zich alleen laten leiden door de prikkels, stemmingen en emoties van zijn omgeving en de onverwachte ontmoetingen die daardoor ontstaan. Slechts door te dwalen kon de stadsbewoner ontkomen aan de moderne terreur van het spektakel – het hart van de consumptiemaatschappij, aldus de Franse situationist.
In de 21e eeuw zien we de stad opeens radicaal anders. Was de stad ooit een betonnen blok van asfalt, staal, stenen en muren, een in tijd en ruimte aanwijsbare plek, nu maakt ze zich steeds verder los van haar grondvesten. De stad dringt door in de media en vooral in de popcultuur van film, strips, games, muziek. De stad is daardoor overal. Zelfs op het platteland is een stadsleven mogelijk. Wanneer steden hun gesteende en ommuurde kaders te buiten gaan, verliest ook het begrip stedelijkheid en het leven in die stad betekenis. De stad is de stad niet meer. Daarvoor in de plaats wandelen we door een wereld die is volgebouwd met beelden en klanken van nieuwe media. Het is een stedelijkheid met een nieuwe aanblik. Je zou ook kunnen zeggen dat we de traditionele concepten van vervreemding, flaneren en de dérive achter ons laten.
Om de stad van de 21e eeuw te omschrijven hebben we andere begrippen nodig. Twee springen in het oog: connectiviteit en interactiviteit. Connectiviteit is een bijzondere manier van verbanden aangaan. Wanneer de stad alle kanten uitwaaiert, krijgt het samenzijn van personen, dieren en dingen een andere vorm. Niet getemperd door gevoelens van onthechting en vervreemding, wordt ‘het zijn’ in de stad anders beleefd. Individuen gaan steeds meer op in prille gemeenschappen. Waar en hoe vind je die gemeenschappen die niet aan fysieke plaats of tijd zijn gebonden? Met het vliegtuig, de auto en de trein kom je dit keer niet ver. Luister naar de ruimtes van verbeelding van muziek of dwaal rond in de gedeelde omgeving van een videogame. De stedelijkheid die zich daar ontvouwt, ontpopt zich sneller dan een Chinese partijleider kan dromen. De samenhang en eendracht van de individuen die hier samenkomen zijn niet gebaseerd op hun fysieke nabijheid, zoals in een klassieke stad. Gedeelde passies of interesses overbruggen de afstanden tussen personen, de geografische grenzen of territoriale gegevenheden van oude landen. Om met Gilles Deleuze te spreken, hier wordt een nieuw volk aangesproken.
Connectiviteit is nauw verbonden met interactiviteit. Interactiviteit verwijst naar de relatie tussen mens en machine, maar in een meer abstractere betekenis gaat interactiviteit over het openen van nieuwe ruimtelijkheden: fysieke, virtuele, sonische, geografische, sociale. Net als connectiviteit moet dit begrip worden bekeken in relatie tot een omgeving of milieu. Ze staat nooit op zichzelf, ontleent haar betekenis aan de context waarin ze is opgenomen. Interactiviteit is daarom voor alles een sociaal begrip, daarna pas technisch. De interactiviteit van nieuwe media laat toe dat iemand actief ingrijpt, de loop van gebeurtenissen verandert en zijn eigen omgeving wijzigt. Die twee kanten – een explorerende en een constructieve – zullen ertoe leiden dat het leven verder gaat veranderen. Dat er een nieuwe wijze van kijken en spreken (‘scenius’, ‘e-mama’) ontstaat, klassieke instituten als musea, scholen en bibliotheken voor andere vraagstukken worden geplaatst.
We hebben twee concepten geïntroduceerd, heel beknopt. Maar er zijn zoveel andere. Dat is echter niet het belangrijkste. Waar het om gaat is dat iedere generatie op een andere manier invulling geeft aan het stedelijk samenzijn. Laat de tentoonstelling Mediapolis op het Gogbot-festival 2007 in Enschede daarvoor een mooie aanleiding zijn.

 

Mediapolis. Populaire cultuur en de stad, Uitgeverij 010, Rotterdam, 2006, ISBN 978 90 6450 633 8,  24.50 euro

Top