Marc Schuilenburg
Een van de belangrijkste functies van architectuur is het creëren van onderdak of behuizing. Wie om zich heen kijkt, ontdekt al snel dat die behuizing nogal verschillende vormen kan aannemen. Je kan wonen in een rijtjeshuis uit de jaren 1950 of in een luxueus appartement op de 23e verdieping van de 152,32 meter hoge Montevideo in Rotterdam. In het laatste geval staan je allerlei voorzieningen ter beschikking. Naast een fraai uitzicht op de Maas kun je in je verticale stad genieten van het overweldigende aanbod van winkels, restaurants, grand cafés en – vanzelfsprekend tegen betaling – sport- en ontspanningsfaciliteiten. In het rijtjeshuis zijn die voorzieningen wat ‘minder’ voorhanden en lijkt het woongenot meer samen te hangen met de direct omwonenden en de historie van de buurt waarin je woont. Met de verschillen tussen beide vormen van behuizing in het achterhoofd, dringt zich wel de vraag op of de discussie over het creëren van onderdak niet veel ruimer moet worden gevoerd dan de kwaliteit van de inrichting van een gebouw of het representatieve karakter van een deel van de stad.
De Duitse filosoof Peter Sloterdijk geeft in zijn Sferen-cyclus een eerste aanwijzing dat behuizing meer is dan de gematerialiseerde inbedding van een majestueuze wolkenkrabber of de achterstandswijk vol met rijtjeswoningen. Het project Sferen gaat over de geschiedenis van de mens en de plaats die de mens door de tijd heen in de wereld heeft ingenomen. In de voortdurende poging van de mens zijn oorspronkelijke behuizing te herstellen, brengt Sloterdijk in het derde deel Schuim ter sprake dat wonen niet alleen een middel is tot verblijf in een al dan niet bijzondere setting, maar ook ‘een verdedigingsmaatregel waarmee een gebied van welbehagen tegen indringers en andere brengers van onbehagen wordt afgeschermd’ (2009, p. 373). Op originele wijze laat hij zo zien dat de woning functioneert als een soort van preventieve veiligheidsmaatregel die moet voorkomen dat ons comfortabele leven wordt verstoord of ontwricht. Wat door Sloterdijk daarmee wordt verwoord, is dat de behuizing maar één kant van het verhaal is. Verbonden met het wonen – en het sociale en culturele leven in de stad – is de concrete behoefte aan veiligheid van de inwoners. Wonen en veiligheid vormen als het ware twee kanten van dezelfde medaille. Beide kanten draaien om geborgenheid en bescherming.
De nauwe relatie tussen architectuur en veiligheid is niet nieuw. Doemsocioloog Mike Davis duidt dit als de ‘militarisering van de stedelijke ruimte’. Dat wil zeggen: de bewapening van de stad met technologieën die het gedrag van bezoekers voortdurend monitoren. In Ecology of Fear beschrijft hij de tendens dat in steden een sociale tweedeling ontstaat die architectonisch tot uitdrukking komt in een reeks binnenruimten – gated communities, financiële districten, culturele zones, Business Improvement Districts, seniorenwijken – die ieder tegen de omringende buitenwereld wordt beschermd. Hij wijst daarbij op het feit dat het waarnemingssysteem van een gemiddeld gebouw gebruik maakt van panoptische beelden, reuk, temperatuur- en luchtvochtigheidschommelingen, bewegingsdetectie en, zo schrijft hij (1999, p. 336), in sommige gevallen zelfs van gehoor. Uit veiligheidsoverwegingen worden die gebouwen ook steeds meer uitgerust met technologieën als detectie en patroonherkenningprogramma’s, agressiedetectoren en gezichtsherkenningssystemen met als doel je gedrag te monitoren en controleren. City Walk in downtown Los Angeles is hier één van de bekendste uitingen van. Het complex is gebouwd rondom de idee van de Amerikaanse main street en gaat terug op het tijdperk waarin auto’s nog sporadisch voorkwamen en stedelingen onbezorgd konden deelnemen aan het openbare leven in de stad. Deze brede winkelstraat, ontworpen door het Amerikaanse bureau Jon Jerde Architects, bevindt zich middenin een gebied dat omringd is door parkeergarages waar bezoekers hun auto’s moeten achterlaten. Alle ingangen van de verplichte parkeergarages worden bewaakt met camera’s en bezoekers zijn verplicht hun parkeergeld vooraf te betalen. Op die manier moest er volgens het bureau een uniek gebied ontstaan. ‘The only things kept out of this simulation are real poverty, crime and unplanned spontaneity,’ verklaarde Jon Jerde onomwonden (De Jong en Schuilenburg, 2008, p.128). Daarom spreekt Davis van Fortress L.A.: een stad vol camera’s, virtuele slotgrachten, veiligheidspoortjes, slagbomen, veiligheidsdiensten, hekken en muren die de bewoners van luxueuze complexen moeten afschermen van een buitenwereld waar ze niets mee te maken willen hebben.
De analyses van Davis bouwen voort op het pionierswerk van de grote voortrekkers van de Amerikaanse stadsociologie van de Chicago school, Robert Park en Ernest Burgess. Aan het begin van de 20e eeuw ontwikkelde Burgess de zogenaamde ‘concentrische zonetheorie’ om de verschillende leefwerelden in steden te kunnen beschrijven. Hij nam als vertrekpunt het centrum van de stad waaromheen allerlei zones tot ontwikkeling kwamen. In de financiële en commerciële zone zijn de banken, winkels en warenhuizen gevestigd en er wonen weinig mensen. De minst draagkrachtige bewoners bevinden zich in een ander deel van de stad met bijna geen sociale en culturele voorzieningen. Het belang van de Chicago school ligt in het feit dat zij niet de woning zelf, maar een deel van de stad als basis namen van onderzoek en dat ter plaatse bestudeerde door middel van etnografisch onderzoek. De verschillende zones of delen van de stad werden zo gezien als op zichzelf staande leefwerelden waarin andere verhoudingen, regels en voorschriften van toepassing waren dan daarbuiten. Terwijl het werk en de journalistieke manier van onderzoek van de Chicago school een stevige voedingsbodem heeft gelegd voor een latere generatie van sociologen, sociaal geografen en cultureel criminologen, waren zij zelf beïnvloed door ideeën uit de psychologie en modellen uit de planten- en dierenecologie.
Dat de stad ook kan worden geanalyseerd aan de hand van specifieke leefwerelden, voert deels terug op het ethologische werk van de Baltische bioloog Jakob Johann Von Uexküll (1864-1944). In Umwelt und Innenwelt der Tiere (1909) en Theoretische Biologie (1920) beschreef Von Uexküll dieren op basis van hun zintuiglijke structuren en instinctieve reacties. Von Uexküll werkt de these uit dat enerzijds de omgeving inwerkt op de zintuigen van een dier en anderzijds het dier zijn omgeving op een unieke manier ervaart. Dit betekent dat wat om ons heen is en waarin we ons bevinden geen gemeenschappelijk en onveranderbaar gegeven is, dat door ieder levend wezen op dezelfde wijze wordt beleefd, maar afhangt van het wezen zelf. Ieder levend wezen ervaart met andere woorden zijn wereld op een andere manier. Von Uexküll illustreerde dit aan de hand van het leven van de teek. De teek reageert op drie veranderingen in zijn omgeving: licht, geur en temperatuur. Treedt er een verandering op van licht, dan klimt het op een blad of tak van een plant of boom. De reuk van een zoogdier maakt dat het zich laat vallen op zijn prooi. Verschil in temperatuur zorgt ervoor dat de teek op die plek van de huid gaat zitten waar het het makkelijkst bloed kan zuigen. Zo bezien is de Umwelt van de teek onvergelijkbaar met die van de vis. En verschilt de Umwelt van de vis weer van de reiger. Maar ook de mens leeft in een Umwelt, alleen door het ontbreken van bepaalde instincten creëert hij zelf een eigen externe realiteit.
De hierboven geschetste lijn van de veilige levenssferen van Sloterdijk en Davis via de zones van de Chicago school tot de Umwelten van Von Uexküll kan aan alle kanten worden vertakt en uitgebreid. Het is met andere woorden geen koninklijke weg die moet worden afgelegd om te begrijpen dat de kwestie van architectuur meer inhoudt dan alleen het creëren van fysieke behuizing. Neem opnieuw de erfenis van de Chicago school. In hun beroemde handboek, Introduction to the Science of Sociology (1921), tref je meer referenties aan naar de geschriften van de Franse socioloog Gabriel Tarde (1843-1904) dan naar Comte, Durkheim en Simmel. Tarde wordt met Lacassagne en Manouvrier gerekend tot de grondleggers van de Franse milieuschool die zich toegelegde op onderzoek naar de betekenis van de sociale omgeving voor het ontstaan van crimineel gedrag. Deze school richtte zich tegen het positivistisch denken van de crimineel-antropologische richting waarvan de Turijnse arts Lombroso en zijn werk L’Uomo delinquentee (1876) een van de belangrijkste representanten was. Meer bepaald stelde Tarde zich tot doel te onderzoeken op welke wijze processen van imitatie en innovatie tussen mensen ervoor zorgden dat er veranderingen en variatie optreden in het dagelijkse doen en zeggen. En daarmee in de sociale omgeving waarin we leven.
Afgezien van de betekenis van Tarde voor de Chicago school, komt als gemene deler tussen de hierboven behandelde auteurs naar voren de interesse in de invloed van de directe omgeving op de mens. Dit thema is tot op bepaalde hoogte gezichtsbepalend geweest voor de afgelopen eeuw, denk ook aan de studies van Henri Lefebvre naar de alledaagse stadsruimte en die van Michel Foucault en Ervin Goffman naar de invloed van totale instituten op het individu: gevangenissen, kostscholen, psychiatrische instellingen. Uit hun werk blijkt dat ruimtelijkheid in de eerste plaats een sociaal fenomeen is. Dat wil zeggen: het is niets buiten de relaties die het aangaat met mensen, dieren en dingen. Toch kan je je moeilijk aan de indruk onttrekken dat de vraag naar de relatie tussen mens en omgeving sterk aan belang heeft ingeboet. Het huidige wetenschappelijke debat lijkt vooral in de ban van de vraag ‘Wie is de mens?’ Je ziet dit terug in onderzoeken naar biologische factoren voor deviant gedrag en verklaringen die zich beroepen op onze genetica en DNA. Aan de hand van kwantitatieve studies worden steeds meer risicofactoren ‘ontdekt’ voor allerlei vormen van deviant gedrag en bijbehorende leeftijdscategorieën die weer worden doorvertaald in justitieel beleid. Daarbij wordt een directe relatie gelegd tussen concrete interventies en afgebakende risicopopulaties om specifieke risico’s weg te nemen en problemen te voorkomen. Om die eenzijdige kijk op de mens en het vraagstuk van veiligheid enig tegenwicht te bieden, wil Justitiële verkenningen in dit nummer een ander probleem aan de orde stellen. In plaats van ‘Wie is de mens?’ gaat het over de vraag: ‘Waar is de mens?’
In antwoord hierop verhaalt Vanstiphout hoe in 2005 architecten en ontwikkelaars (deels) verantwoordelijk werden gehouden voor de grootscheepse rellen in de Franse voorsteden. Het kon toch geen toeval zijn dat de rellen uitbraken in woonwijken die alle waren ontworpen door dezelfde, modernistische, architectuurschool. Vooral de belangrijkste grondlegger, de al lang geleden overleden architect Le Corbusier, moest het ontgelden. Zijn ‘totalitaire’ architectuur symboliseert volgens critici als Dalrymple het kwaad van de welvaartstaat. Maar volgens Vanstiphout is het een misverstand om te denken dat architecten, projectontwikkelaars en politici bepalen hoe een wijk of stad zich ontwikkelt. De stad is fundamenteel onvoorspelbaar, want het zijn de opeenvolgende generaties bewoners die telkens opnieuw hun leefomgeving of Umwelt interpreteren en uitvinden. In plaats van een afbraakbeleid zouden we deze wijken beter moeten leren kennen en samen met de bewoners moeten vernieuwen, zo meent de auteur.
De idee dat architectuur en ruimtelijke ordening een positieve invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en beschaving van de gebruikers, heeft heel lang deel uitgemaakt van het sociaaldemocratisch gedachtegoed. Oudenampsen laat dit zien aan de hand van de geschiedenis van Amsterdam Noord. Het stadsdeel kan worden gezien als een laboratorium, een proeftuin voor de sociaaldemocratische droom om de mens opnieuw vorm te geven. De centrale these van dit artikel is dat de huidige herontwikkeling van Amsterdam Noord gestoeld is op een verschuiving in bestuurlijke strategie: van sociale maakbaarheid naar ruimtelijke maakbaarheid. De locatie wordt niet meer gebruikt om de bevolking te verheffen, de bevolking wordt opnieuw samengesteld om de locatie te verheffen.
Graham werkt in zijn artikel Mike Davis’ these van de ‘militarisering van de stedelijke ruimte’ verder uit. Hij voert verschillende ontwikkelingen aan die ervoor zorgen dat militaire technieken zich nestelen in het weefsel van de stad. Hij wijst daarbij op de doorwerkingen van de strategieën van het leger in de beveiliging van het openbare leven als het ‘shoot to kill’ beleid van de politie en de inrichting van veiligheidszones in de financiële districten van Londen en New York. Het creëren van een absolute veiligheid, zo betoogt Graham, is de belangrijkste activiteit van de overheid geworden. Om nog enig tegenwicht te bieden, onderscheidt de auteur ‘tegenstrategieën’ om het nieuwe militaire urbanisme te ontwrichten.
Ook Van Calster, Schuilenburg en Guitjens stellen de veiligheidszorg in de semipublieke ruimte centraal in hun artikel. Zij concentreren zich daarbij niet op de infrastructuur van de stad, maar op zogeheten Bedrijfsverbetergebieden, waarvan het Rotterdamse winkelcentrum Alexandrium een van de eerste voorbeelden is. De auteurs laten zien dat het overheidsmonopolie op veiligheidszorg definitief verleden tijd is en dat particuliere bedrijven in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het winkelcentrum op zich nemen. Tegenwoordig zijn het de ondernemers die besluiten welke activiteiten moeten worden ontplooid en welke projecten moeten worden opgezet om het gebied schoon en veilig te houden. Op basis van 43 diepte-interviews laten de auteurs zien dat niet alle betrokkenen enthousiast zijn over deze ontwikkeling. Zo toont de samenwerking met de politie gebreken. Bovendien hebben veel ondernemers het gevoel dat het winkelcentrum in de afgelopen jaren juist minder veilig is geworden.
De openbare ruimte wordt sinds jaar en dag een cruciale rol toebedacht als ontmoetingsplek van verschillende groepen mensen. Een doordachte inrichting daarvan kan een belangrijke bijdrage leveren aan de cohesie in de samenleving. Twee opeenvolgende bijdragen aan dit themanummer laten zien dat de praktijk weerbarstiger is en dat dit belangrijke uitgangspunt in het ruimtelijke ordeningsbeleid onder druk staat. In beide artikelen wordt geconstateerd dat veel mensen zich in de publieke ruimte niet thuis voelen. Boonstra en Ham zien nog wel mogelijkheden om de openbare ruimte, vooral pleinen, de oude functie van ontmoetingsplek terug te geven. Maar te vaak blijkt de openbare ruimte slechts geschikt voor één vorm van gebruik, bijvoorbeeld straatvoetbal. Zo’n plek wordt dan geconfisceerd door één groep. Door meerdere fysieke voorzieningen te treffen, kan een plek aantrekkelijk worden voor diverse soorten groepen, menen de auteurs.
Uit het artikel van Bijlsma, Galle en Tennekes blijkt echter dat juist sprake is van een trend naar meer afgesloten ruimten. Als gevolg van de toegenomen heterogeniteit van de publieke ruimte hebben veel mensen moeite om met alle verschillen in hun leefomgeving om te gaan. Ze geven de voorkeur aan – wat de auteurs noemen – een ‘herbergzame’ leefomgeving die gelijksoortige groepen aantrekt en diegenen uitsluit die ze liever vermijden. De auteurs constateren dat woningbouwverenigingen en ontwikkelaars steeds vaker gehoor geven aan die wens door de creatie van collectieve ruimte, het in bezit nemen van publieke ruimte en het tijdelijk gebruik van onontwikkelde ruimte. De auteurs schetsen deze ontwikkeling aan de hand van verschillende voorbeelden, zoals de Mediterraan-Arabische wooncomplex Le Medi in Rotterdam.
We besluiten dit themanummer over architectuur en veiligheid met een ‘recensie’ van een bijzonder gebouw, de tbs-inrichting Oostvaarderskliniek in Almere. Het ontwerp van Martien Jansen is vorig jaar door de Bond van Nederlandse Architecten uitgeroepen tot het ‘beste gebouw’, een eer die een penitentiaire inrichting nog niet eerder te beurt viel. Oosterman gaat in op de ideeën achter het ontwerp van de ‘glazen gevangenis’, die een geheel nieuw principe belichaamt na modellen als het Panopticon van de koepelgevangenissen en de hotelflats van de Bijlmerbajes. Achter de glazen gevel van de Oostvaarderskliniek is er geen ‘eindeloos binnen’, maar een stedelijk complex, waarin de cliënt overdag van het paviljoen met nachtverblijf en wooneenheid ‘over straat’ buiten door de centrale tuin loopt naar behandeling, werk en recreatie. Alleen de bruine kroeg ontbreekt nog.
Davis, M.
Ecology of fear. Los Angeles and the imagination of disaster
New York, Vintage Books, 1999
Jong, A. de, M. Schuilenburg
De ruimterevolutie van de Urban Container
In: D. Siegel, F. van Gemert e.a. (red.)
Culturele criminologie, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2008, p. 123-132
Lombroso, C.
L’Uomo delinquente.
Milan, Hoepli, 1876
Park, R.E., E.W. Burgess
Introduction to the Science of Sociology
Chicago, The University of Chicago Press, 1921
Sloterdijk, P.
Sferen. Schuim
Amsterdam, Boom, 2009
Von Uexküll, J.J.
Umwelt und Innenwelt der Tiere
Berlin, Springer, 1909
Von Uexküll, J.J.
Theoretische Biologie
Berlin, Paetel, 1920