In een krantenartikel op 17 februari en in een interview op Radio 1 een dag later, gaf de politie van de zone Meetjesland-centrum toelichting over het fuifverbod dat ze invoerde. Via een bestuurlijke maatregel kreeg een aantal jongeren preventief een fuifverbod – of beter een straatverbod – opgelegd in de buurt van fuifzalen waar op dat moment gefuifd wordt op basis van een eerder opgesteld PV (voor bv. vechtpartij op fuiven). Het weerwoord van de privacycommissie was krachtig en duidelijk: hier bestaat GEEN rechtsgrond voor. Het is enkel aan de rechter, in dit geval de jeugdrechter, om eventueel een fuifverbod uit te spreken en het is dus NIET aan een bestuur om zulke preventieve administratieve sancties op te leggen. Waarvan akte. Met deze case in onze achterzak stapten we naar criminoloog Marc Schuilenburg, voor een gesprek over veiligheid en beleid.
De reacties op deze maatregel, van zowel voor- als tegenstanders, waren behoorlijk beladen. En ook over de juridische basis ontstond er heel wat gekissebis. De enige voorlopige conclusie die we konden trekken was, dat er blijkbaar een diepe kloof bestond tussen de theoretische beschouwingen van commentatoren en de praktijk waarmee een bestuur aan de slag wil om de veiligheid van haar burgers te waarborgen. Nu de gemoederen wat bedaard zijn en de rust weergekeerd is, willen we één en ander in een breder perspectief plaatsen. We gingen hiervoor het gesprek aan met Marc Schuilenburg, docent Criminologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam die de voorbije jaren heel wat onderzoek deed naar de evolutie van het veiligheidsdenken in onze contreien. Het werd een boeiende beschouwing over de toenemende privatisering van onze veiligheid, de groeiende angst voor onzekerheid en het gemak waarmee we onze privacy soms te grabbel gooien.
Ik denk absoluut dat er hier sprake is van een soort van selectieve uitsluiting. Tenminste als we daaronder verstaan dat we met het fuifverbod mensen van bepaalde voorzieningen of bepaalde locaties uitsluiten zonder rechtstreekse of directe aanleiding en vooral zonder initiatief van justitie. In Nederland krijgen jongeren die amok hebben gemaakt op bepaalde tramlijnen een reisverbod. Nog in Nederland zie je bijvoorbeeld dat individuen in bepaalde steden het recht wordt ontzegd om nog langer goederen en levensmiddelen te kopen in een hele resem winkels, als ze ooit zijn betrapt op (een poging tot) diefstal in één van de winkels die zijn aangesloten bij het netwerk van de ‘Collectieve Winkelontzegging’. Winkeliers spelen de gegevens (naam, toenaam, foto, adres) van de ‘dader’ door aan andere winkels die participeren aan dit initiatief en zij ontzeggen de betrokkenen ook daar vervolgens voor een bepaalde periode (bvb 6 maanden of een jaar) de toegang. Niet politie of justitie ontzegt hen de toegang, maar medeburgers die met elkaar gemeen hebben dat ze allemaal een winkel uitbaten. Het meest bekende voorbeeld van selectieve uitsluiting is wellicht het stadionverbod dat bepaalde hooligans verbiedt nog langer voetbalwedstrijden in het stadion bij te wonen. In toenemende mate kiest onze maatschappij er dus voor om uitsluiting mogelijk te maken van specifieke locaties of specifieke voorzieningen, zelfs los van enige vorm van justitiële veroordeling. De veiligheidszorg versplintert daarmee radicaal. Hiermee bedoel ik dat de uitsluiting zich niet meer noodzakelijk voltrekt op grote schaal maar dat ze bepaalde mensen uitsluit van specifieke voorzieningen en/of specifieke locaties.
Bepaalde delicten die aanvankelijk alleen maar in het strafrecht waren opgenomen stellen we ook meer en meer strafbaar via andere vormen van recht zoals het bestuursrecht of het privaatrecht, die beiden veel minder rechtswaarborgen inhouden. De veiligheid wordt op die manier ‘gehandhaafd’ door bijvoorbeeld de organisatoren van een fuif of een winkelier. Je hebt opeens geen politie of openbaar ministerie meer nodig. Dat zie je prachtig in de berichtgeving over het fuifverbod. Wat we hebben opgebouwd sinds de 18e eeuw zie je op die manier uitgehold worden. De delicten die thuishoorden in het strafrecht met alle rechten en plichten van dien, omdat we ze zo belangrijk en/of zo moreel verwerpelijk vinden, zien we nu verschuiven naar andere regimes van het recht. Regimes waarin veel minder rechtsbescherming is en waarin andere partijen de leiding nemen. Het fuifverbod is op die manier natuurlijk een perfect voorbeeld van het quasistrafrecht.
Eén van de risico’s is, zoals ik daarnet aangaf, dat de rechtsbeschermende kant veel minder gewaarborgd wordt. Een ander risico is dat we er heel makkelijk van uitgaan dat partijen die we nu opeens mee verantwoordelijk maken voor die veiligheid - een trambestuurder, winkeleigenaar of een organisator van een fuif - wel heel netjes en nauwkeurig omgaan met de macht die we hen toebedelen. De vraag is of dat zo is en of we daar wel zicht op hebben? Maken die lui geen uitzonderingen of treden ze niet discriminerend op? We dragen in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsvraagstuk over aan relatief nieuwe (private) partijen. Het valt mij op - en ik heb daar de voorbije jaren heel wat onderzoek rond gedaan - dat wij daarbij zelden of nooit nagaan wat die nieuwe partijen doen met de verantwoordelijkheid die ze opeens hebben gekregen, en wat dat betekent voor de rechtsbescherming van individuele burgers en groepen. Een derde risico is de overkoepelende beweging die ik de securisering van de samenleving noem. Steeds meer losse gebieden in de maatschappij zoals uitgaan, winkelen of openbaar vervoer worden onder de noemer geplaatst van veiligheid terwijl het in die domeinen in strikte zin natuurlijk niet in de eerste plaats om veiligheid draait. Een feestje gaat om lol hebben en vermaak, winkelen doe je om te voorzien in je behoeften, de tram neem je om je te verplaatsen van het ene gedeelte van de stad naar een ander. Ik snap dat veiligheid daar niet volledig los van staat, maar primair is het slechts een afgeleide functie ervan.
Soms moet men wel eens verantwoording afleggen, als iemand bijvoorbeeld omwille van zijn huidskleur de toegang tot de discotheek ontzegd wordt. Maar in het algemeen zien we dat de verantwoording die winkeliers, trambestuurders of fuiforganisatoren moeten afleggen niet de verantwoording is zoals de politie en het openbaar ministerie die moeten afleggen voor een rechter. Die moeten laten zien wat in het dossier staat, welke de bewijslast is, wie de getuigen waren. Voor de nieuwe spelers in het veiligheidsgegeven blijkt dit veel diffuser omdat de locaties waar zij opereren vaak semipublieke gebieden zijn, waarbij die eigenaars (of organisatoren, uitbaters…) een relatief grote vrijheid hebben om eigen regels op te leggen. Maar als we in die regels ook toestaan dat burgers steeds vaker (willekeurig?) een rol opnemen, zien we een nieuw tussengebied ontstaan waarbij het onduidelijk is wie nu verantwoordelijk en uiteindelijk aansprakelijk is.
Preventieve maatregelen gaan uit van bestaande kennis van reële gevaren. Bijvoorbeeld op basis van statistieken van bepaalde buurten met een groot inbraakrisico, zet je een extra slot op je deur. Voorzorg gaat nog een stuk verder dan preventie. Handelen uit voorzorg, bijvoorbeeld uit angst voor inbraken tout court, doen we zonder enige aanwijzing dat er in de buurt ook maar een inbraak te gebeuren staat. Je ziet dat maatregelen vandaag steeds meer worden gebaseerd op angst of op twijfel of op onzekerheid in plaats van op bewezen gevaren en bewezen feiten. Daarmee wordt angst of twijfel dus een uitgangspunt voor beslissingen. En dat heeft natuurlijk iets waanzinnig paradoxaals, als de grondslag waartoe je maatregelen neemt om in dit geval onzekerheid en angst voor onveiligheid weg te nemen, zelf gebaseerd is op onzekerheid.
Je kan niet alles beheersen. Elk organisme moet altijd een opening hebben naar de buitenwereld toe, want anders overleeft het niet. En je ziet nu dat we in onze maatschappij in toenemende mate een cocon rondom ons heen bouwen zodat er geen opening meer is naar de buitenwereld. Kijk maar naar hoe wij bijvoorbeeld staan tegenover buitenlanders, of de wijze waarop we onze grenzen afschermen of hoe we aankijken tegen veiligheidsproblemen. Tot er geen (gevoel van) onzekerheid meer is (lijkt te zijn), en wij ons dus volkomen onkwetsbaar wanen. Maar een samenleving die geen opening laat, die onkwetsbaar wil zijn, is in principe ten dode opgeschreven.
Dat vind ik een zeer moeilijke vraag. Vaak wordt een soort schijntegenstelling tussen beide begrippen gecreëerd, en wordt er nogal makkelijk van uitgegaan dat méér veiligheid automatisch zou leiden tot minder privacy (en omgekeerd). Dat hoeft niet zo te zijn. Veel mensen vinden dat ook niet erg, die willen gewoon echt meer veiligheidsmaatregelen.
Dat denk ik inderdaad niet, als je ziet wat voor sporen en identiteitsgegevens jongeren over zichzelf achterlaten op pagina’s zoals Twitter en Hyves. Je merkt dat ze geen idee hebben dat die data ook weer kunnen worden gebruikt door andere ‘partijen’, bijvoorbeeld als ze later gaan solliciteren. En het is duidelijk dat, met de huidige digitalisering van onze samenleving en de grote opmars van alle mogelijke technologieën, het bewustzijn van jongeren over het diffuse karakter van deze technologieën en de snelheid waarmee de informatie over de aardbol raast moet groeien. Op dat vlak bestaat bij hen nog een zeer grote naïviteit.
Dat klopt. Voor de huidige generatie dertigers, veertigers en ouderen, was technologie nog nieuw, wij keken er dus met wat meer argwaan tegenaan. Nu is dat zo volledig opgenomen in het dagelijkse leven dat het geen vragen meer oproept. Het is echt een verlengstuk van ons lichaam geworden, en daarmee stellen we ons steeds minder vragen bij de reikwijdte en de effecten van de technologie. Een tweede argument is dat we, met name in Nederland en misschien wat minder in België, bijna geen argwaan koesteren tegenover grote ‘partijen’ zoals bijvoorbeeld de overheid. We zijn geneigd om te denken dat ze altijd het beste met ons voor hebben. In die zin zijn we vrij naïef omdat we altijd uitgaan van de goede bedoelingen van de overheid of andere partijen in de veiligheidszorg. Ik denk dat we daarvoor waakzaam moeten zijn, omdat er heel veel voorbeelden zijn van overheden die verkeerde dingen doen met al de vrijgekomen info. Of andere partijen die jouw informatie inzetten voor heel andere doeleinden of info over jou delen met andere instanties waar je geen toestemming voor hebt gegeven. Dat noopt wederom tot een betere bewustwording van de wijze waarop technologie ons omringt en hoe deze wordt opgenomen in ons dagelijks leven. En nogmaals: zeker bij jongeren mag er wat minder naïviteit zijn bij het publiceren van allerlei gegevens op openbare websites waar iedereen naar kan kijken.
Door Bart Derwael